is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

appel heeft geconcludeerd tot vernietiging van hot vonnis a quo, voor zoover die niet ontvankelijk verklaring betreft, en tot veroordeeling alsnog van den incidenteeT geintimeerde om binnen acht dagen nadat liet in dezen te wijzen arrest hem zal zijn beteekend, het gelibelleerde perceel met al liet zijne en de zijnen te ontruimen en ter vrije beschikking van de incidenteel appellante te stellen, met machtiging op haar om den incidenteel geintimeerde, des noodig, daartoe met behulp van den sterken arm te dwingen, alles met veroordeeling van den incidenteel geintimeerde in de kosten van het incidenteel appel;

O. dat de incidenteel geintimeerde, 11a de conclusie van eisch incidenteel bij conclusie van antwoord incidenteel breedvoerig te hebben bestreden, heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring, immers ontzegging van den incider.teelen eisch in appel en veroordeeling van de incidenteel appellante in de kosten van het incidenteel appel;

O. dat, nadat ten dienenden dage partijen pleidooi hadden gevoerd, de uitspraak in deze zaak is bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht,

O. eerst en vooraf met betrekking tot de door appellant voorgestelde exceptie van onbevoegdheid des rechters; dat deze wordt geadstrueerd door de navolgende motieven: dat volgens art. 8 van Staatsblad 1855 no. 79 Yreemde Oosterlingen, waartoe de thans appellant — oorspronkelijk gedaagde — behoort, zijn onderworpen aan de rechtsmacht der Europeesche rechtbanken, voor zoover de tegen hen ingestelde vorderingen gegrond zijn op de op hen toepasselijk verklaarde Europeesche wetgeving, dat nu wel de onderwerpelijke rechtsvordering is de reivindicatie ingesteld door den eigenaar tegen den houder, met de actie tot schadevergoeding als gevolg, en derhalve gegrond op het op Vreemde Oorterlingen van toepassing verklaarde art. 574 van het Burgerlijk Wetboek, doch dat niettemin die vordering niet op de Europeesche wetgeving is gebaseerd, vermits geintimeerde bij dagvaarding haar eigendomsrecht, welks erkenning zij van den rechter vordert, uitdrukkelijk heeft gegrond op het in Staatsblad 1870 no. 118 opgenomen Koninklijk Besluit en dat