is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koninklijk Besluit geen onderdeel is van de op Vreemde Oosterlingen toepasselijk verklaarde Europeesche wetgeving;

O, echter dat dit middel den appellant niet kan volgen, dat immers de onderwerpelijke rechtsvordering is de rei vindicatie, bedoeld bij art. 574 van het Burgerlijk Wetboek en dus geworteld in het voor Europeanen geldende en krachtens art. 1 van Staatsblad 1855 no. 79 op den Vreemden Oosterling op Java en Madura toepasselijk verklaarde eigendomsrecht ;

dat hiertegen niet obsteert, gelijk appellant beweert, dat de geintimeerde bij dagvaarding haar eigendomsrecht heeft gegrond op art. 1 van bovenvermeld Koninklijk Besluit, vermits met de aanhaling van dat artikel niets anders werd beoogd dan te bewijzen, dat de Staat eigenaar is van het gereivindiceerde stuk grond, geenszins om aan te toonen, dat de Staat nu ook het recht had tot reivindicatie; dat dit recht alleen is gegeven bij het reeds gemeld art. 574 Burgerlijk Wetboek, hetwelk ook op de Vreemde Oosterlingen op Java en Madura van toepassing is, zoodat de ingestelde actie, wel degelijk behoort tot die, welke in gevolge art. 8 van Staatsblad 1855 no. 79 ter kennisname staan van de Europeesche rechtbanken;

O. wat betreft de zaak ten principale, dat appellant als eerste grief tegen het vonnis a quo heeft aangevoerd, dat de rechter a quo ten onrechte den bewijslast heeft verplaatst;

O. ter zake,

dat de thans geintimeerde bij dagvaarding de ontruiming door den thans appellant en diens gezin van het quaestieuse perceel heeft gevorderd, op grond dat appellant dat perceel onrechtmatig in bezit houdt, welk bezit echter door den appellant bij conclusie van antwoord werd ontkend;

dat de raad terecht als tusschen partijen vaststaande heeft aangenomen dat dat perceel aan de thans geintimeerde toebehoort;

dat de rechter nogtans ten onrechte heeft beslist, dat vermits eischeres, volgens hem, het bewijs geleverd heeft dat gedaagde het perceel bezat vóór de dagvaarding, hij op grond van art. 542 van het Burgerlijk Wetboek dat bezit nog heeft, daar hij in

LVII. 18