is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de „ministers, noch door andere titularissen mag worden bedreden" en dat „de eigenaar van zijn rechtsgebied is uitsluitend en onbeperkt meester over al zijne goederen van waarde", dat hetgeen „daar als wet geldt, en al wat door de nazaten „van Mijnheer te Bodhimiinba zal beschikt en verricht worden" onder bescherming der goden werd gesteld. Niemand mocht zich dus inlaten met hetgeen dadr geschiedde; dus ook niet met de kwestiën rakende den grond. Dit alles ziet Mr van den Berg in dat stuk over het hoofd

Vreemd is het dat Mr. van den Berg, hierbij ook geheel over liet hoofd ziet hetgeen bij het agrariesch onderzoek als nog geldig door hoofden en dessa-hoofden in Midden-Java beweerd is en gelijk hierboven, als ook door hem zeiven meegedeeld, werd terug gegeven t. w.: dat de hoofden, ja zelfs de dessahoofden beweerden de vertegenwoordigers van den Vorst te zijn, de eenige rechthebbenden op den grond te wezen en aanspraken hierop van dessabewoners door hen als niet bestaande werden beschouwd — bl. 15, 16, 17. — Zulk eene overtuiging thans nog door die hoofden voorgestaan en officieel door hen verklaard moet op vroeger bestaan hebbende toestanden gegrond zijn, en de Inlander, slaafs als wij hem vonden en als hij gedeeltelijk nog is, moet dien toestand hebben erkend Zit dat begrip niet toegepast en door den Vorst gehuldigd in die oude oorkonde?

Ik voor mij vermeen juist om deze mededeelingen van den Hoogleeraar Mr. van den Berg uit het agrariesch onderzoek enz. bij mijne gevolgtrekkingen, uit de oorkonde in het hoofdstuk „het eigendomsrecht op den grond" gemaakt, te mogen blijven volharden.

Mr. van den Berg staat voor: dat oudtijds in Westelijk Java ge golden heeft hetgeen thans nog voor de lladjoei's in het Bantamsche kracht heeft, t. w.: dat de man, om grond te beplanten, de toestemming moet hebben van het hoofd van den stam, die hem de te bebouwen plek aanwijst — bl. 18, —, geen verkoop van den bezeten grond mag daar plaats grijpen, de grond van den Vorst zijnde — bl. 23 —.

Mr. van den Berg erkent zelfs: dat een recht op grond van