is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en het geschil niet handelde over bezitrecht, maar over ontruiming als een gevolg van vermeend eigendomsrecht;

dat de requirante, nu-al hare middelen ongegrond zijn bevonden, geacht moet worden hierbij geen belang meer te hebben, zoodat in een onderzoek naar de gegrondheid daarvan niet meer behoeft getreden te worden;

Ö. dat derhalve het beroep in cassatie moet worden verworpen;

Gezien art. 104 van het E. op het Rechtswezen in de residentie Ainboina en art. 58 van het R. op de B. R.;

Rechtdoende, t

Verwerpt het beroep in cassatie;

Veroordeelt de requirante in de kosten daarop gevallen.

Zitting van 29 October 1891.

Voorzitter: als voren.

Kwalijk gezegeld stuk, eerst in hooger beroep behoorlijk gezegeld. art. 23 der

zegelordonnantie.

Waar de eerste rechter op een kwalijk gezegeld stuk, dal als bewijsstuk tegen de wederpartij in het geding gebracht was, ten onrechte acht geslagen en er de wederpartij op gehoord heeft en, nadat dit stuk in hooger beroep behoorlijk gezegeld overgelegd zijnde, door den lioogeren rechter het vonnis in eersten aanleg bekrachtigd in stede van vernietigd is, overwegende, dat thans door den rechter op dat stuk mag gelet worden en het in appel voor het eerst daartegen ingebrachte is gedekt door de houding van de requiranten in eersten aanleg, door zich toen zonder eenige reserve over dat stuk uit te laten, daar heeft ook de hoogere rechter gehandeld in strijd met art. 23 der Zegelordonnantie.

Tan Pin Seh c. s., reqniranten van cassatie, comp. bij den adv. en proc. Mr. Th. A. Ruijs, contra

Oei Kim. Lo, gerequireerde in voorschreven cas, comp. hij den adv. en proc. Mr. T. Hennij.

LVII. 22