is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Billiton, is schuldig verklaard aan het des bewust in bezit hebben van tien thail bereide opium, niet afkomstig van den wettigen pachter, daarstellende overtreding van a t. 15 van het voor Billiton vigeerend opium-pachtreglement, en overzulks veroordeeld tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van tien maanden en tot betaling eener geldboete van f J 000, bij wanbetaling waarvan hij bij wijze van lijfsdwang dwangarbeid buiten den ketting kan ondergaan voor den tijd van vijf maanden, en in de kosten van bet geding, met verbeurdverklaring van het achterhaalde opium;

Mede gelezen een vonnis van den raad van justitie te Batavia dd. 28 Maart 1891, waarbij deze, rechtsprekende in hooger beroep van voornoemd vonnis, heeft ontvangen het appel en, met verwerping der voorgestelde exceptie, den beklaagde beeft veroordeeld ter zake in het vonnis van den landraad te Tandjong Pandan dd. 27 December 1890 vermeld, tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van een maand en tot betaling van eene geldboete van f 1000, met bepaling, dat hij, bij wanbetaling dier geldboete, als lijfsdwang zal kunnen ondergaan dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van vijf maanden ; overigens bet vonnis, waarvan appel, bekrachtigd en hem nog veroordeeld heeft in de kosten des gedings in hooger beroep gevallen ;

Gelet op een in afschrift overgelegde acte, waarbij geconstateerd wordt, dat op den 7den April 1891 ter griffie van den raad van justitie te Batavia tegen laatstgemeld vonnis cassatie is aangeteekend door Mr. G. W. Altheer, advocaat en procureur bij het Hoog-Gerechtshof van Nederlandsch-Indië, handelende, blijkens gesubstitueerde volmacht, verleden voor den fungeerenden notaris te Batavia M. J. Smissaeit en getuigen dd. 30 Januari 1891, voor en namens den inlander Doewasek;

Gelezen de conclusie, namens den Procureur-Generaal door den Advocaat-Generaal Mr. J. van Assen genomen en gedagteekend 9 Mei 1891, strekkende tot verwerping van den eisch in cassatie, met veroordeeling van den requirant in de kosten in cassatie gevallen;