is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelezen de conclusie, namens den Procureur-Generaal door den ^ Advocaat Generaal Mr. J. van Assen genomen, gedagteekend 21 Juni 1891, daartoe strekkende, dat het Hof zal ontzeggen den eisch in cassatie, ingesteld door den requirant Li Keng Tiong, met veroordeeling van dien requirant in de kosten in cassatie te zijnen aanzien gevallen, en ambtshalve in cassatie rechtsprekende, met verbetering van het vonnis van den landraad te Oheribon, waarvan cassatie, doende wat de eerste rechter had behooren te doen, den requirant Lim Eng Lo alsnog zal schuldig verklaren aan eene overtreding van art. 7 van Staatsblad 1880 no. 17, zooals dit is gewijzigd bij Staatsblad 1886 no. 91, jo. Staatsblad 1880 no. 88, door het als schrijver van het pandhuis te Djamblang, als zoodanig aangesteld door den gemachtigde van den pachter van het recht tot het houden van twee pandhuizen in de desa Djamblang, district Palimanan, afdeeling Cheribon, eenmaal vorderen van renten boven het door den Gouverneur-Generaal bepaalde maximum, onder verzachtende omstandigheden gepleegd, en hem te dier zake bovendien zal veroordtelen tot teruggave van het onwettig gevorderde, met veroordeeling van den Lande tevens in de kosten, ten aanzien van den requirant Lim Eng Lo in cassatie gevallen;

Gehoord het rapport van den raadsheer Mr. W. C. Yeenstra; Gezien de stukken ;

O. dat door de requiranten geene memorie is ingediend, houdende opgave van de middelen, op grond van welke het beroep is aangeteekend, en van de wettelijke bepalingen waarvan de schending of verkeerde toepassing beweerd wordt, terwijl bedoelde opgaven evenmin voorkomen in de acte, waarbij cassatie -3 aangeteekend;

O. dat ten aanzien van het vonnis in zake den beklaagde Jiim Eng Lo gewezen door den ambtenaar van het Openbaar Ministerie ambtshalve als middelen van cassatie zijn voorgesteld: lo. Schending van art. 9 al. 2 van Staatsblad 1880 no. 17, zijnde het Eeglement voor de pacht van het recht tot het houden van pandhuizen in die gedeelten van Ned.-Indië, waar dit recht door het Ned.-Indisch Gouvernement in pacht wordt afgestaan,