is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zitting van 1 Mei 1> 9 1. Voorzitter: Mr. M. C. Piepers.

Lasterlijke aanklacht bij geschrifte. — Art. 287 Sm.

Inl. — Praejudicieele kwestie omtrent de

onwaarheid der aanklacht.

Foor het misdrijf van lasterlijke aanklacht hij geschrifte wordt vereischl, dat de aanklacht omvaar is.

Het bewijs der omcaarheid kan, waar het eene aanklacht wegens misdrijf geldt, slechts voortvloeien uit de beslissing van dm rechter, bevoegd om over dat misdrijf te oordeelen.

De beslissing omtrent het misdrijf van valsche aanklacht is dus afhankelijk van de praejudicieele kiceslie of die aanklacht onwaar is (I).

tIET HOOG GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-1NDIE,

Gezien de stukken van liet gerechtelijk onderzoek in de zaak van den beklaagde Pa Sadani en het in die zaak op den 24-sten Februari 1891 door den landraad te Sidhoardjo gewezen vonnis, waarbij de beklaagde is schuldig verklaard aan : „Lasterlijke aanklacht tegen een persoon gepleegd, en deswege veroordeeld tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van twee maanden en tot betaling eener geldboete groot f 50, met bepaling dat de beklaagde Pa Sadani vd , bij wanbetaling dier geldboete, bij wijze van gijzeling zal kunnen ondergaan dwangarbeid buiten den ketting naar den maatstaf van eene maand voor elke verschuldigde f 200, zoomede in de kosten van bet geding;

Gezien de schriftelijke conclusie, namens den Procnreur Generaal door den Advocaat-Generaal Mr. J. van Assen genomen,

(1) Zie beslissingen in gelijken zin in Deel XXVI pag. 16fi van dit Tijdschrift en in Nos. 390, 463 en 817 Ind. W. v. h R. Zie echter ook No. 300 van dat Weekblad.