is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat immers hetgeen hij omtrent de niet ontvankelijkheid der door geintimeerde ingestelde actie opmerkt, slechts opgaat tot zoolang de maatschap niet tussehen de vennooten is gescheiden en gedeeld ;

dat nu door geintimeerde bij introductieve dagvaarding is gesteld en in de verzetprocedure zoowei in eersten aanleg als in appel niet door den appellant is weersproken of ontkend, dat ter zake van de maatschap tussehen partijen bestaan hebbende, eene eindafrekening door appellant is opgemaakt en door geintimeerde is goedgekeurd, zoodüt de maatschap bereids gescheiden is en gedeeld ;

dat het, waar dit vaststaat, aan geen twijfel onderhevig is dat de eene vennoot hetgeen hem ingevolge die scheiding van den anderen vennoot competeert, doch niet wordt uitbetaald, rauwelijks van dezen kan opvorderen;

en mitsdien hteft geconcludeerd: dat het den Hove moge behagen, met tenietdoening van het appel, te bekrachtigen het vonnis van den raad van justitie te Soerabaja, waarvan appel, met veroordeeling van den appellant ook in de kosten der appellatoire instantie ;

O. dat partijen daarna bij pleidooi hare sustenuen nader hebben toegelicht, waarbij de appellant heeft acte verzocht en verkregen, dat hij naar aanleiding van het antwoord in appel ontkent dat de verdeeling van de tussehen partijen bestaan hebbende maatschap zoude hebben plaats gehad, waarna de nederlegging der stukken ter tafel is gelast en de uitspraak bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht,

O. ten aanzien van de in de eerste plaats tegen het vonnis a quo ingebrachte grief, dat de eerste rechter terecht heeft overwogen dat de bewering als zoude gedaagde moeten zijn gedagvaard als vennoot en niet in privé, wellicht zou kunnen leiden tot niet ontvankelijkverklaring van de oorspronkelijke vordering, doch nooit tot nietigverklaring der dagvaarding, immers deze laatste moet beoordeeld worden naar haren inhoud en niet naar de wijze, waarop wellicht gedagvaard had moeten worden en derhalve, waar vaststaat dat gedaagde is gedagvaard in privé en de dagvaarding te dien opzichte aan alle vereischten voldoet,