is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. immers dat uit de geschiedenis van art. 75 van het Regeerings-Reglement als uit den inhoud van het tweede lid van art. 12 en het eerste lid van art. 13 der Algemeene Bepalingen van wetgeving blijkt, dat het nimmer in de bedoeling van den wetgever heeft gelegen, dat een inlander of met hem gelijkgesteld persoon, door het afleggen eener eenzijdige voor intrekking vatbare verklaring, naar goedvinden zijn persoonlijken staat zou kunnen veranderen, maar alleen dat hij zich bij overeenkomsten en speciaal ter zake dier overeenkomsten aan de Europeesche wetgeving zou kunnen onderworpen;

O. dat dientengevolge de verklaring door Hadjie Sarip bin Hadjie Taib vd., in de overgelegde stukken afgelegd, dat hij zich ter zake der daarin voorkomende schulden aan het Europeesch burgerlijk en handelsrecht onderwerpt, niet tot rechtsgevolg kan hebben, dat hij, ook afgescheiden dier schulden, aan het geheele handelsrecht zou zijn onderworpen, allerminst dat de bepalingen omtrent faillissement op hem van toepassing zouden zijn;

Gelet op de aangehaalde wetsbepalingen;

Beschikkende,

Wijst het gedaan verzoek van de hand;

Verstaat dat geene termen aanwezig zijn den Javaanschen handelaar Hadjie Sarip bin Hadjie Taib vd. te verklaren in staat van faillissement.

Aan

Het Hoog-Gerechtshof van Nederlandsck-Indië te

Batavia.

Geeft allereerbiedigst te kennen de inlander Moeslimin, handelaar, wonende te Soerabaja;

dat op 22 Juli 1891 in raadkamer van den raad van justitie te Soerabaja, bij beschikking van voornoemden raad, met verstande dat geene termen aanwezig zijn tot faillietverklaring, van de hand is gewezen het door requestrant gedaan verzoek om