is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Op grond van al het vorenstaande, meen ik te mogen vaststellen, dat de Memorie van Toelichting zich in hoofdzaak aansluit bij de op algemeene beginselen vau strafrecht gegronde Nederlandsche jurisprudentie en bij de ten onzent verkondigde doctrine. 1}

Het Duitsche Strafwetboek heeft nagelaten het begrip te omschrijven en de vaststelling aan de wetenschap overgelaten. Als gevolg daarvan is er geen auteur van meer of minder beteekenis of hij verdiept zich in een onderzoek naar het wezen van: „das fortgesetzte Verbrechen." Zoo eischt von Liszl, pag. 217 „Gleichartigkeit der Schuld (wil), der Körperbewegung (mechanische verrichtingen) und des Erfolges, mitsdien van de drie elementen der strafbare handeling, zonder dat eenheid van Entschlusz noodig is. Uitvoeriger is Meijer, pag. 480, waar hij het fortgesetzte Delict aanwezig acht, wanneer verschillende demselben Delictsbegriffe entsprechende Handlungen, dennoch zusammen nur als ein, entsprechend gröszeres Delict erscheinen. Eene onderbrokene werkzaamheid wordt steeds vereischt. 2) Hij legt er den nadruk op, dat maatgevend is „der Begriff der einzelnen Delictsart, von dem es abhiingi, ob durch die einzelne Veriibung jedesmal ein besonderes Delict erfüllt ist, oder ob verscluedene Veriibungen als ein Delict erscheinen können." Als voorbeeld kiest hij en vormt daardoor den overgang tot ons nationaal Wetboek (art. 56 al. a), dat het vervaardigen en in omloop brengen van valsche munt een delictura continuüm is. Steeds vordert hij eenheid van rechtsgoed, 3) daar iedere straf-

1) Zie o. a, nog van Deinse, pag. 401 par. 410, die ook het delictum continnnm omschrijft als gepleegd door een reeks gelijksoortige misdrijven, gepleegd ter uitvoering van hetzelfde misdadige voornemen, ter bereiking van hetzelfde doel of ten gevolge van voortdurende gelijke omstandigheden.

2) Dit vormt volgens hem het kenmerkend onderscheid met het voortdurend delict, waarover nader, maar m. i. ook met de natuurlijke handelingseenheid, die, niettegenstaande meervoud van lichamelijke verrichtingen, kan bestaan.

3) De opmerking moet mij hier van het hart, dat die eenheid van rechtsgoed mij alles behalve duidelijk is. Door v. Liszt wordt onder het