is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boden afstand van den openbaren weg van eene mestverzameling twee en twintig maal gepleegd"; voorzeker ten onrechte had hij in die reeks strafbare handelingen geene voortgezette handeling gezien. In cassatie werd dit vonnis bij arrest van 5 November 1888, W. 5635, vernietigd [de qualificatie bleef intusschen behouden, maar slechts eene geldboete opgelegd], omdat niet bleek op welken feitelijken grond was aangenomen, dat de bewezen feiten, alle op zich zelf opleverende „het op een verboden plaats hebben van eene mestverzameling", niet staan in zoodanig verband, dat zij moesten beschouwd worden als ééne voortgezette handeling. Er wordt dus van den kantonrechter gevorderd eene verklaring, waarom hij iets niet aannam, een eiseh die op mij een zonderlingen indruk maakt.

Het arrest van den H. R. dd. 19 Januari 1891 [N. W. No. 5989] is zeker het nieuwste in deze materie gewezen. De advocaatgeneraal Mr. van Maanen poseerde, dat tot het wezen van het voortgezet misdrijf behoorde, dat het onafgebroken heeft voortgeduurd in dien zin, dat er tusschen de misdadige handelingen geen zoodanig tijdsverloop is gelegen, dat de volgende feiten geen nieuwen aanvang hebben gehad. Naar verband werd door hem niet gezocht en de onjuiste term „voortgezet misdrijf" behouden. Het opperrechtelijk college hield zich beter aan de bewoordingen der wet en overwoog, dat uit de omstandigheid, dat door denzelfden persoon op verschillende tijdstippen hetzelfde strafbaar feit wordt gepleegd, rechtens niet volgt, dat die feiten in zoodanig verband staan, dat zij volgens art. 56 N. Sr. als eene voortgezette handeling moeten beschouwd worden Er werd dus implicite aangenomen, dat in cassatie uit zekere reeks strafbare handelingen wel dat verband kan gehaald worden. Uit de daarop volgende overweging, dat „evenmin op feitelijke gronden door den kantonrechter is aangenomen, dat er tusschen de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten zoodanig verband bestaat als art. 56 op het oog heeft," kan men afleiden, dat de H. R. een onderscheid maakt tusschen het afleiden van het verband „rechtens" en „op feitelijke gronden", eene onderscheiding door niets gemotiveerd.