is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hierop betrekking hebbende woorden „te rekenen van den dag enz:" in het belang van den belastingschuldige, zoo behooren te worden gelezen, dat zij ook in de bedoeling van den wetgever zeiven zin verkrijgen, d. i. door daarvoor voor dit geval te lezen : „te rekenen van den dag, waarop de belasting verschuldigd is" ;

O. dat eene andere opvatting en uitleg ook niet wel aannemelijk is, immers de wetgever, publiekrechtelijke vorderingen regelende, teil aanzien van welke hij niet de verjaring overeenkomstig privaatrecht heeft willen toepassen, zooals blijkt uit de vaststelling van bepalingen daaromtrent in zijne ordonnantie, dan of voor de hier bedoelde vordering in het geheel geen verjaring zou bepaald hebben, doch hij in dat geval ook daarvan, als gewilde uitzondering, uitdrukkelijk zou hebben doen blijken, of voor die vordering het oog zou hebben gehad op de nog kortere verjaring bedoeld bij Staatsblad 1832 no. 41, waarvan hij dan ook evenzeer rekenschap zou hebben gegeven;

O. met toepassing van het bovenstaande op de door appellante bedoelde posten betreffende het fideicommis W. c. a , dat inderdaad te dien aanzien, te rekenen van den dag, waarop zij verschuldigd werden, ongestoord vijf jaren zijn verloopen, zoodat zij terecht op verjaring beroep heeft gedaan en 's raads vonnis ook te dezen aanzien behoort te worden te niet gedaan;

O. dat bij appellantes veroordeeling tot betaling van het niet verjaarde bedrag tevens kan gelet worden op het boven in de derde plaats aangegevene, immers inderdaad de laatste post in de dagvaarding betreffende W. c. a. ddo. 16 Februari 1887, bij de recapitulatie van de verschillende als verschuldigd gestelde posten, abusievelijk is opgegeven als te bedragen ƒ2.10, moetende dit blijkens die dagvaarding zelve ƒ 2,05 zijn;

O. quoad IY um , dat de eerste rechter op den door hem aangevoerden grond terecht heeft beslist, dat in casu van geen vordering tot betaling van boete sprake kan zijn, doch dat, hij minder juist, op grond van de erkentenis van de zijde van appellante, dat zij boete zou zijn verschuldigd, eene veroordeeling te dezer zake tot het door haar erkend bedrag heeft uit- ; gesproken;