is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERHANDELINGEN.

EENHEID EN MEERVOUD VAN STRAFBARE HANDELINGEN. VOORTGEZETTE HANDELING. BESPREKING VAN RECHTSPRAAK.

DOOR

M r . W. A. P. F. L. WINCKEL.

(Vervolg en slot van pag. 33.)

6. Behalve ten aanzien van qualificatie, straf en recidive, springt het gewicht van het bovenuiteengezette vooral met betrekking tot de verjaring in het oog. Immers volgens onze Indische Strafv. behoort deze te loopen van het oogenblik van het voltooien der wetsovertreding. Spreekt men nu van voortgezet misdrijf, dan kan men niet anders aannemen, dan dat de verjaringstermijn aanvangt van het oogenblik, dat die handeling is bedreven, welke de rteks der strafbare handelingen sluit. Er is toch slechts één misdrijf, dat als zoodanig niet mag gescheiden worden 1). Bij het aannemen van eene voortgezette handeling in den zin van art. 56 al. 2 N. Sr. daarentegen moet de verjaring tegen elk der feiten afzonderlijk berekend worden; valt een der feiten door verjaring weg, dan komt zij alleen niet meer in aanmerking voor den schakel. Elk delict blijft zijn eigen verjaringstermijn behouden. 2)

Het Nationaal Strafwb. neemt een anderen aanvangstermijn aan en noemt als zoodanig (art. 71) den dag, na dien, waarop

1) Zie van Deinse par. 516, de Bosch-Kemper Strafv. deel JII 623. Verg. ook de Wal 1. c. pag. 443, die dit gevoelen, als door de rechtsgeleerden algemeen erkend, vaststelt. 2) Men vergelijke ook Asscher en Simons, Het nieuwe Wetboek van Strafrecht 1886 bladz. 65. Dit werk beoogt eene practisehe vergelijking — voor zoover mogelijk — van den tekst van het C. P. en nieuw Wetboek.

LVIII. 6