is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in appel heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijkverklaring, immers in ieder geval tot ontzegging van den incidenteelen eisch en veroordeeling van den geintimeerde in de kosten van het incident in eersten aanleg en der appellatoire instantie en zulks op de navolgende gronden :

dat de incidenteele vordering niet ontvankelijk is:

a. omdat zij de strekking heeft te bewijzen dat geintimeerde zekere gelden ten behoeve der maatschap heeft uitgeschbten, welke bij de dagvaarding opgevorderd worden; edoch deze eisch hem niet kan baten, daar de eenige actie, die hem competeerde, is die tot verdeeling der maatschap, daar de eene vennoot den anderen schuldig is niet de helft van hetgeen hij aan de maatschap schuldig is, maar van hetgeen hij meer dan zijn medevennoot aan haar schuldig is, met dien gevolge dat de vennooten elkander niet rauwelijks kunnen dagvaarden na het einde der maatschap tot betaling van hetgeen zij ten behoeve van de maatschap hebben voorgeschoten;

b. omdat de posten, welke de geintimeerde verzocht te bewijzen en die hij vermeld heeft in eene rekening ddo. Kendal 29 December 1889, alleen gedateerd zijn tusschen 5 September en 29 December 1889, terwijl de maatschap, ten behoeve van welke hij bij zijne dagvaarding sustineerde „als associé" die gelden te hebben betaald, blijkens art. 5 derzelve aangegaan is over hetzelfde tijdvak als het met het Gouvernement van Nederlandsch-Indië te sluiten contract zoude duren, welk contract eerst begonnen is te loopen 1 Januari 1890, zoodat bijaldien de geintimeerde voor dien tijd geld uitgaf, hij het zeker niet deed als associé, daar hij dat, tijdens hij het uitgaf, niet was en evenmin ten behoeve der maatschap, omdat deze niet vóór 1 Januari bestond, waaruit dus volgt dat niet pertinent en concludent kan zijn het bewijsaanbod der onderwerpelijke feiten, daar zij, bewezen zijnde, wellicht, van veel belang zouden kunnen zijn bij eene eventueele andere actie, doch nooit bij deze, bij welke, blijkens de derde considerans der conclusie van eisch, slechts in aanmerking mogen komen betalingen als socius gedaan voor de societas;