is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat toch, blijkens de introductieve dagvaarding, door den eischer is gevraagd het afbreken of wegnemen van zekere brug door gedaagde, en dat het belang dat eischer hierbij had, en dat dus (afgescheiden van de waarde der brug) de waarde van het onderwerp in geschil uitmaakte, door hem noch bij dagvaarding noch later in den loop des gedings is begroot, zoodat de vordering was onbepaald en dus ter kennisneming stond van den landraad;

O. dat derhalve het beroep in cassatie moet worden verworpen ;

Gezien art. 103 van het Regl. tot reg. van het rechtswezen in de res. Palembang (Staatsblad 1878 no. 14) en de artt. 58 an 432 R. v. B. Rv,;

Rechtdoende,

Verwerpt het door den requirant ingesteld beroep van cassatie;

Veroordeelt hem in de kosten in cassatie gevallen.

Zitting van 7 Januari 1892.

Voorzitter: als voren.

Art. 415 Rv. — Beteekening memorie cassatie aan de wederpartij.

De memorie van cassatie alleen beteekend zijnde aan h'aar, die in hooger beroep voortgeprocedeerd heeft als dochter en medeérfgename van de sedert overleden in eersten aanleg geprocedeerd hebbende partij en niet aan de gesamenlijke erfgenamen van deze laatste, dan is het beroep in cassatie niet ontvankelijk.

Oeij Thaij Tjaij, requirant van cassatie, contra

a. Ratijem en b Djapiroen bapa Djaira, ten einde zijne vronw sub a vermeld, zooveel noodig bij te staan of te machtigen, gerequireerden in voorschreven cas.