is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zitting van 11 Februari 1892.

Voorzitter: als voren.

Rechter in hooger beroep van landraadvonnissen. — Artt . 355 tot 36 1 Rv. — Art . 59 Riouw Reglement in Staatsblad 1882 no. 84 (art. 141 Inl. Regl.) — Aanvulling van

een rechtsmiddel.

Ten aanzien van de procedure en de leer van het bewijs moeten de raden van justitie, rechtsprekende in hooger beroep van landraadvonnissen, de voorschriften opvolgen voor de landraden van kracht en niet de wetgeving voor Europeanen.

Be hoogere rechter moet zich stellen op het standpunt van den eersten rechter.

Wanneer dus voor het eerst in hooger beroep een schriftelijk bescheid als bewijs wordt overgelegd, waarvan de echtheid wordt betwist, behoort de raad van justitie het bepaalde bij art. 59 Riouw Reglement (art. 141 Inl. Regl) op te volgen.

De Regeering van Nederlandsch-Indië als vertegenwoordigende den Lande, requirante van cassatie, comp. bij den landsadvocaat Mr. T. Hennij, contra

Tan Kie Nam, gereqnireerde in voorschreven cas, comp. bij den adv. en proc. Mr. P. Maclaine Pont.

het hoog-ge rechtshof van nederlandsch-indie,

Gelezen het vonnis door den raad van justitie te Batavia, den 4den April 1891 tusschen de requirante van cassatie, als geintimeerde, en den gerequireerde en zekeren Tan Tjeng Siang, als appellanten, gewezen, in hooger beroep van het vonnis van den landraad te Tandjong Pinang van 16 Juli 1890, waarbij acte is verleend, waarvan acte is gevraagd, het aangeboden be-