is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat reclit, en mitsdien zijne vordering te ontzeggen, uit aanmerking dat, hoewel requirant dat recht zoude hebben in Arabië en ook op Java, zoo zijn broeder daar ab intestato ware overleden, die broeder bij testament anders heeft beschikt, en hij daartoe, volgens de in deze streek van Java geldende adat, zeer stellig het recht had, in ieder geval tegenover de natuurlijke erfgenamen hiervermeld, in tegenstelling der zoogenaamde Koranische erfgenamen, de alil'al fardl, namelijk degenen, wien in de Koraan een bepaald deel is aangewezen;

O. ten aanzien van het eerste middel,

dat de requirant hierbij opkomt tegen de gronden, waarop door den rechter a quo de executoirverklaring van het priesterraadsvonnis geweigerd is, maar dat deze juist zijn;

dat toch terecht door hem als grondslag van zijne moliveering is aangenomen, dat, zoolang het tegendeel niet is beweerd, als tusschen partijen vaststaand moest worden aangemerkt, dat het bedoelde afschrift in allen deele overeenstemde met het origineel en dus als basis van beoordeeling mocht en moest strekken bij de vraag, of het vonnis vatbaar was voor executoirverklaring;

en dat hij eveneens, dit eenmaal aangenomen hebbende, terecht de executoirverklaring daarvan geweigerd heeft, op grond dat liet afschrift niet bleek te bevatten een opgave der kosten, welke aan partijen in rekening waren gebracht, noch ook geteekend te zijn door al de leden die aan de uitspraak hadden medegewerkt, omdat toch die gebreken nu ook geacht moesten worden liet origineel aan te kleven, en in dat geval art. 7 van Staatsblad 1882 110. 152 eene executoirverklaring verbiedt;

dat dus hierdoor geen der aangehaalde wetsartikelen is geschonden of verkeerd toegepast en het middel is ongegrond; O. ten aanzien van het tweede middel, dat als eerste grond daarvan gesteld wordt, dat de rechter a quo den priesterraad heeft onbevoegd verklaard tot kennisname van eene vordering tusschen twee inlanders, strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van een testament door een inlander gemaakt;

dat echter deze beslissing juist is, omdat bij Staatsblad 1835