is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weshalve hij heeft geconcludeerd, dat het den raad behage den eischer met zijnen in verzet gedanen eisch niet ontvankelijk te verklaren, immers hem dien in ieder geval te ontzeggen en hem te veroordeelen in de kosten van het verzet;

O. dat partijen, ten slotte afziende van pleidooi, recht gevraagd hebben op de stukken, waarna de uitspraak bepaald is op heden;

Ten aanzien van het recht,

O. wat aangaat de beweerde niet ontvankelijkheid van het verzet, op grond dat het eerste exploit, waarbij het is beteekend, ddo. 22 April 1890, op ongezegeld papier geschreven is, zoodat de rechter daarvan geen kennis mag nemen en het tweede, ddo. 28 April 1890, te laat is geschied, als zijnde meer dan dertig dagen na de beteekening van het vonnis, waartegen verzet;

dat wat het eerste betreft, op grond van art. 1 in verband met art. 23 der Zegelordonnantie in Staatsblad 1885 no. 131, de rechter daarop geen recht mag doen, en wat het tweede betreft, dat wel is waar het vonnis, waartegen verzet, beteekend is op den 28 April 1890, doch dat volgens art. 2 van het Koninklijk besluit in Staatsblad 1889 no. 31, het verzet moet gedaan worden binnen dertig dagen na de beteekening van het vonnis aan den veroordeelde in persoon, terwijl in casu die beteekening geschied is niet aan den veroordeelde in persoon, maar aan eenen huisgendot van dezen, zoodat deze beteekening den bij bedoeld Staatsblad vermelden termijn niet doet loopen en mitsdien niet bewezen is, dat het verzet te laat geschied zoude zijn;

O. ten aanzien der hoofdzaak ,

dat de eischer en opposant heeft gesteld, dat hij ontkent de som van ƒ 225 schuldig te zijn aan den oorspronkelijken eischer, thans geopposeerde, wegens loon ad / 5 's maands voor het verzorgen en hoeden van drie koeien van gedaagde, thans opposant, daar eischer, thans geopposeerde, volledig is afbetaald en zijn loon heeft ontvangen;

O. dat de oorspronkelijke vordering strekte tot betaling aan den thans geopposeerde eener som van f 225, — op grond dat