is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de thans opposant hein ruien vier jaren geleden, tegen een door hem bedongen en overeengekomen loon van ƒ 5 ! s maands, drie koeien te verzorgen en hoeden heeft gegeven en opposant in gebreke gebleven is het aan geopposeerde aldus toekomend loon ad ƒ 5 's maands sedert 45 maanden te voldoen;

O. dat, in verband met de gronden voor deze vordering aangevoerd, in den eisch in verzet ligt opgesloten, dat de gestelde overeenkomst erkend wordt, doch daaraan als bevrijding is toegevoegd, de daadzaak, dat de gedaagde en geopposeerde volledig is afbetaald en zijn loon heeft ontvangen;

dat deze bekentenis is onsplitsbaar, en het niet aangaat, zooals gedaagde en geopposeerde bij conclusie van antwoord doet, uit de verwering van eischer en opposant de erkenning der overeenkomst, en dus de schuldplichtigheid, als bewijs voor zich aan te nemen, doch de bewijslast der afbetaling op eischer en opposant te laten drukken;

O. dat nu de gedaagde en geopposeerde, oorspronkelijk eischer, deze geclausuleerde bekentenis niet in haar geheel heeft aangenomen, op hem de bewijslast rust van de gestelde overeenkomst, in welk geval de thans opposant de beweerde betaling zoude hebben te bewijzen;

O. dat nu gedaagde en geopposeerde dit bewijs niet heeft geleverd, noch het zelfs aangeboden, zijne vordering hem als onbewezen behoort te worden ontzegd, en alzoo de eischer en opposant bezwaard is met het tegen hem gewezen verstekvonnis;

Gelet, behalve op de aangehaalde wetsbepaling, op art. 1865 en 1924 van het Burgerlijk Wetboek, zoomede op art. 58 der Burgerlijke Rechtsvordering;

Rechtdoende,

Verklaart den eischer en opposant goed opposant tegen het tegen hem bij verstek gewezen vonnis van 21 Februari 1890;

Ontheft hem van de daarbij tegen hem uitgesproken veroordeeling ;

En alsnu op nieuw rechtdoende op de oorspronkelijke dagvaarding ddo. 30 Januari 1890,