is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke partijen tot wet strekt, recht op betaling van zijn salaris had op den zooveelsten dag van elke maand, als waarop appellant te Semarang voet aan wal had gezet, i. e. op den 21en dag der maand ;

dat hiertegen niets afdoet, gelijk geïntimeerde vermeent, dat blijkens de sommatie van 23 October 1890, na de eerste uitbetaling op 22 April 1890, het salaris geheel of gedeeltelijk werd uitbetaald op den laatsten dag der maand, vermits toch niet blijkt dat dit het gevolg was eener tusschen partijen dienaangaande nader gewijzigde bepaling der overeenkomst, terwijl het beroep op de hier bestaande gewoonte van uitbetaling van salarissen op. den laatsten dag geen effect kan sorteeren, wanneer, gelijk in casu, in de overeenkomst zelve de termijn van uitbetaling is bepaald ;

O. dat uit een en ander volgt, dat vermits geintimeerde op 28 October 1890 in gebreke was gesteld wegens niet betaling van zijn salaris op den bij de beweerde overeenkomst bepaalden datum, zijnde den zien October te voren, de daarop gebaseerde vordering tot ontbinding dier overeenkomst met schadevergoeding volkomen recht van bestaan had en de vordering mitsdien is ontvankelijk;

dat bijgevolg een onderzoek of de vordering is ontvankelijk met het oog op den bij dagvaarding aangevoerden tweeden grond tot ontbinding der overeenkomst als onnoodig kan worden gepasserd ;

O. alsnu ten aanzien der zaak ten principale, dat appellant zijne vordering bewezen acht, op grond dat geintimeerde den appellant op de hem bij de onderhandsche acte van 12 februari 1890 gestelde voorwaarden in dienst heeft genomen en daardoor tot die overeenkomst is toegetreden ;

dat hij derhalve ook de verplichting op zich nam om den eischer in het tweede en derde jaar telkens eene maandelijksche ver hooging van f 25 op zijn salaris toe te kennen en die verplichting tot verhooging van tractement nu niet denkbaar is dan wanneer men aanneemt dat hij ook verplicht was den appellant gedurende drie jaren in dienst te houden ;