is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zonder in kritiek te treden over het al of niet juiste dier beslissingen, is het toch niet van belang ontbloot die bekend te maken, voorzoover zij niet reeds in het een of ander rechtskundig tijdschrift zijn opgenomen, zullende waar dit het geval mocht zijn, naar het betrekkelijke tijdschrift worden verwezen.

Als uitvloeisel van de eerste opvatting is vooreerst te beschouwen een vonnis van 12 Februari 1835, gewezen door den landraad te Makasser (praeside Mr. Sclioutendorp), waarbij zekere Ang Tio Ang werd vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, dat hij eene twintigjarige inlandsche vrouw Mida in 1883 als pandelinge had aangenomen, tot zekerheid eener schuld van f 50, door de inlandsche vrouw Wakka bij liem aangegaan. Deze zaak is niet in hooger beroep behandeld, aangezien het door den Inlandschen Officier van justitie aangeteekend appel door hem werd ingetrokken. Het vonnis van den landraad luidde aldus:

DE LANDRAAD TE MAKASSER,

Gezien enz.;

Gehoord de voorlezing der acte van dagvaarding en van het relaas van beteekening daarvan, wordende den beklaagde bij de acte van dagvaarding ten laste gelegd, dat hij in de maand Juni 1883 ter hoofdplaats Makasser de twintigjarige vrije inlandsche vrouw Mida, tot zekerheid van eene schuld van ƒ 50, door hem aan de creditrice, de inlandsche vrouw Wakka, uitbetaald, als pandelinge heeft aangenomen en haar gedurende eenige maanden als zoodanig werkzaamheden in zijne woning heeft doen verrichten;

Gehoord enz.;

Nog gehoord enz.;

Mede gehoord enz.;

O. dat het nemen van pandelingen tot zekerheid van schuld bij de inwerkingtreding van het Regeerings-Reglement van 1854, ingevolge art. 118, voor Java en Madura bleef verboden, terwijl bij hetzelfde artikel werd voorgeschreven, dat dit verbod door