is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op het tweede standpunt plaatste zich de landraad te Boelecomba, (praeside Mr. Nederburgh), die in Juli 1889 den inlander Saoeng, ter zake van het nemen als pandeling van den inlander Sé tot zekerheid van eene schuld van f 60, welke de anakoda van een Boetonneesch ter reede van Boelecoinba liggend vaartuig aan hem had, wegens overtreding van Staatsblad 1872 no. 114, veroordeelde.

De inhoud van dat vonnis was als volgt:

DE LANDRAAD TE BOELECOMBA,

Gezien enz.;

Gehoord enz.;

O. dat den beklaagde bij dagvaarding is ten laste gelegd: dat hij voor ongeveer twee jaren van den anakoda van een ter reede van - Boelecomba liggend Boetonneesch vaartuig den Boetonneeschen jongeling Sé in pand heeft genomen en tot in dit jaar (1889) gehouden, tot zekerheid der schuld van ƒ 60, door bedoelden anakoda jegens hem aangegaan en zich derhalve heeft schuldig gemaakt aan eene overtreding bij Staatsblad 1872 no. 114 strafbaar gesteld;

O. dat beklaagde ter terechtzitting bekend heeft schuldig te zijn aan het hem ten laste gelegde en in substantie heeft verklaard: dat hij ruim een jaar geleden, tijdens den vorigen controleur (Erkelens), aan den anakoda (gezagvoerder) eener Boetonneesche prauw, nadat deze hem twee keeren te vergeefs geld te leen had gevraagd, den derden keer ƒ60 heeft geleend, tot zekerheid van welke schuld deze hem den Boetonneeschen jongeling Sé als pandeling gaf; dat deze anakoda wel beweerde zijn prauw te willen verkoopen om hem van de opbrengst de schuld af te doen, maar niet zeide waar en kort daarna bleek vertrokken te zijn, zonder zijn schuld te hebben afgedaan, weshalve hij Sé bij zich hield, die echter voortdurend wegliep en ging zwerven;

O. dat de le getuige, voormelde Sé, die onnoozel bleek te