is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Veroordeelt haar deswege tot eene geldboete groot f 500; Verstaat dat zij, bij niet voldoening dier geldboete, als gijzeling twee en een halve maand dwangarbeid buiten den ketting zal kunnen ondergaan;

Veroordeelt haar nog in de kosten van dit rechtsgeding; Aldus gedaan enz. (16 April 1890).

Vonnis raad van justitie in zake Jo Pe Nio.

DE RAAD VAN JUSTITIE TE MAKASSER,

Gelezen het vonnis van den landraad te Makasser dd. 16 April 1890, waarbij de in hoofde dezes genoemde beklaagde (nl. Jo Pe Nio) is schuldig verklaard aan: „overtreding van Staatsblad 1872 no. 114 en deswege, behalve in de kosten van het rechtsgeding, veroordeeld tot eene geldboete van ƒ 500, met bepaling enz.;

Gelet op het door beklaagde op den 18den April 1890 en dus tempore utili aangeteekend hooger beroep en op de missive van den griffier van den landraad te Makasser dd. 1 Mei 1890, waaruit blijkt dat ook de Hoofddjaksa bij den landraad te Makasser hooger beroep aangeteekend heeft;

Gehoord enz.;

Gezien enz. ;

O. dat de beklaagde zich ter terechtzitting van dezen raad bij monde van haren gemachtigde heeft gerefereerd aan hare opgaven ter terechtzitting van den landraad;

O. dat op verzoek van dien gemachtigde alsnog twee vroeger niet opgeroepen getuigen zijn gehoord, n. 1. de Hilandsche vrouw Moemoe en de Inlander Kaloe, volgens wier verklaringen het inlandsch meisje Sapia voorschot van beklaagde zou hebben ontvangen op door haar te verdienen loon, welk voorschot zij, Sapia, vervolgens aan hare moeder zoude hebben ter hand gesteld;

O. dat indien dit zoo ware, Sapia geene pandelinge zoude geweest zijn, maar tot beklaagde in de betrekking zoude hebben