is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaring van den appellant met zijn appel; II tot tenietdoening van het appel, bekrachtiging van het tusschen partijen door den raad van justitie te Semarang gewezen vonnis van 3 Juni 1891, voor zoover daarvan is geappelleerd; en III voor eisch incidenteel subsidiair in appel, dat het den Hove behage, alvorens ten principale recht te doen, de thans geintimeerden, destijds eischers in conventie, toe te laten om door getuigen, behoudens alle andere middelen rechtens, te bewijzen :

„dat zij, geintimeerden, voor de vleeschleverantie aan het militaire garnizoen te Magelang gedurende de maand Augustus 1890 hebben uitgegeven de navolgende sommen, te weten:

voor den aankoop van 189 runderen de som van f 5759,30 voor den aankoop van gras de som van . „ 48,10 aan opziener en mandoor de som van . „ 57.— aan wachters en slachters de som van . „ 93.— aan koelies en grondhuur de som van . . . . „ 16,45 Totaal de som van f 5973,85

met opdracht van dit getuigenverhoor aan den raad van justitie te Semarang, als zijnde de rechter, binnen wiens rechtsgebied de te hooren getuigen woonachtig zijn, met veroordeeling van den appellant in geval van tegenspraak in de kosten van dit incident, en anders met reserve dier kosten tot de einduitspraak ten principale;

O. dat appellant bij conclusie van antwoord exceptioneel en incidenteel subsidiair in appel, na op de daartoe aangevoerde gronden de voorgestelde niet ontvankelijkheid van het appel te hebben bestreden, heeft geconcludeerd tot verwerping der voorgestelde exceptie van berusting en mitsdien tot ontvankelijk verklaring van den appellant in zijn appel en veroordeeling van de geintimeerden in de kosten der exceptie en voorts, op de sommatie van geintimeerden tot erkenning of ontkenning, dat hij, appellant, de hierboven bedoelde schriftuur, gedagteekend Magelang 5 September 1890, heeft onderteekend, heeft opgemerkt dat geintimeerden beginnen moeten met die schriftuur in rechten te produceeren alvorens hij, appellant, gehouden is zijne handteekening te erkennen of te ontkennen en eindelijk voor antwoord incidenteel