is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*an den verkoop aan de executante, de Weeskamer) en liet bepaalde bij art. 1211 B. W. (wat aangaat de vereischte beteekening van den verkoop aan de ingeschrevene schuldeisehers, in casu de eischer en opposant) ;

dat de Spaarbank van Makasser bij den ve rkoop der perceelen buiten hare bevoegdheid is gegaan, door onder de voorwaarden van verkoop te stellen: art. 2 „de pjrceelen worden ieder afzonderlijk verkocht vrij van hypotheek" en daarentegen verzuimd heeft om melding te maken van het bestaan der tweede hypothecaire schuld ten bate van eischer en opposant;

dat de door de koopers ingestelde vordering tot ontlasting van de hijpothecaire schuld, ten bate van eischer en opposant, niet toegewezen kan worden, daar de verkoop niet heeft plaats gehad volgens art. 1211 B. W, namelijk omdat den eischer en opposant, als ingeschreven schuldeischer, van den dag van verkoop niet bij een exploit van minstens dertig dagen vóór de toewijzing is beteekend geworden;

dat het voorschrift van artt. 1211 B. W. van openbare orde is, en dat artikel uitdrukkelijk zegt: dat de vordering tot ontlasting niet zal kunnen gedaan worden tenzij geschied is, wat daar is vooigeschreveu;

dat eischer en opposant bereids ter zake bij rekest (aan den > Rechter-Commissaris Mr. M. G. Smalt ingediend) heeft verzet gedaan tegen de verzochte rangregeling, welk verzoek echter door den Rechter-Coramissaris niet ontvankelijk werd verklaard en zulks niettegenstaande in Cremers aanteekeningen op de Ned. Wetboeken, le deel blz. 683 no. 7 529 te lezen staat: „Wanneer een hypotheekhouder het bezwaarde perceel heeft „verkocht, krachtens onherroepelijke volmacht en daarna eene „vordering tot ontlasting door den kooper is ingesteld, kan ieder „ingeschreven schuldeischer, die niet op de wijze bij art. 1255 „B. W. (I. B. W. art. 1211) bepaald, van dien verkoop is „verwittigd, daartegen verzet doen";

„Dit verzet kan geschieden bij request aan den Rechtercommissaris ingediend, en zelfs mondeling in de door dezen krachtens art, 556 R. B. R. bepaalde zitting";