is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoog-Gerechtshof dd. 29 Mei 1890, ten laste van den Chinees Tjioe Tjoeng Hong diens twee perceelen, waarvan in dit geding sprake is, in beslag heeft doen nemen, waarop de Spaarbank te Macasser, als le verbandhoudster met het beding van art. 1178 van het Burgerlijk Wetboek, van het haar bij art. 511 van de Burgerlijke Rechtsvordering toegekende recht heeft gebruik gemaakt en de beide perceelen op 20 Februari 1891 in het openbaar heeft doen verkoopen, zonder dat zij den thans opposant als 2en hypotheekhouder met den dag van den verkoop bij exploit heeft doen in kennis stellen ;

dat nu krachtens art. 1211 van het Burgerlijk Wetboek, in ge»al van willige verkooping, de vordering tot ontlasting niet kan gedaan worden, indien niet o. a. de ingeschreven schuldeischers van den verkoop zijn verwittigd geworden, ten minste 30 dagen vóór de toewijzing, bij een exploit, hetwelk zal moeten beteekend worden aan de woonsteden, die de schuldeischers bij de inschrijving gekozen hebben, zoodat voor de beantwoording van de vraag of de bij de in casu opgemaakte rangregeling aangekondigde doorhaling van opposants 2e hijpotheek kan worden gehandhaafd, dan wel opposants vordering om die hijpotheek buiten de rangregeling te houden gegrond is, te beslissen valt: a of de verkoop door den len verbandhouder krachtens liet beding van art. 1178 van het Burgl. Wetboek in gewone omstandigheden een willige verkooping is;

b. zoo ja, of dit karakter behouden ' blijft ook al geschiedt de verkoop, gelijk in casu, in den loop eener reeds aangevangen executie;

,0. ad a: dat de artt. 1210 en 1211 van het Burgl. Wetboek aan den kooper, die een met hijpotheek bezwaard goed in openbare veiling voor een in geld bepaalden prijs heeft gekocht, het voorrecht toekennen om het gekochte perceel te doen zuiveren van alle hijpothecaire lasten, die den koopprijs te boven gaan, en zulks hetzij, zooals art. 1210 zegt, de koop is geschied „bij gerechtelijke uitwinning hetzij ten gevolge eener willige verkooping";

dat, terwijl de laatstvermelde woorden blijkbaar bedoelen aan