is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te toonen hoe algemeen het voorrecht van zuivering aan den kooper wordt toegekend (behoudens de bij art. 1211 gevorderde formaliteiten in geval van vrij willigen verkoop! uit de gemaakte tegenstelling tusschen vrijwilligen verkoop en die bij gerechtelijke uitwinning mag worden afgeleid (terwijl ook geen bepaling in de wet gevonden wordt, waaruit het tegendeel zou kunnen worden opgemaakt) dat een openbare verkoop van een met hijpotheek bezwaard perceel, welke noch een verkoop bij gerechtelijke uitwinning, noch een vrijwillige zou zijn, doch een verkoop sui generis, bij de wet niet bekend is;

dat nu wat betreft de verkoop krachtens het beding van art. 1178 van het Burg. Wetboek, deze bepaaldelijk niet is een bij gerechtelijke uitwinning, waarvan art. 1210 Burg. Wetboek spreekt, omdat de woorden „gerechtelijke uitwinning" vooronderstellen dat een beslag (heizij dan dat dit individueel is gelegd in gevolge de bepalingen van den 3den titel van het 2e boek van bet Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering, hetzij dan dat het een gevolg is van een rechterlijk vonnis, zooals in cas van faillissement, artf. 7 75 en 756 Wetboek van Koophandel) aan den verkoop is voorafgegaan, terwijl voor de uitoefening van het recht van art. 1178 geen voorafgaande in beslagneming noodig is, integendeel het aldaar bedoelde beding juist de strekking heeft om beslag onnoodig te maktn;

dat verder art. 1178 geen bijzondere regeling bevat omtrent de wijze, waarop de verkoop in het aldaar bedoelde geval moet plaats hebben, doch dienaangaande eenvoudig verwijst, en daarmede van de gelijksoortigheid van het in dat artikel geregeld geval uitgaat, naar art. 1211, waarbij is voorgeschreven, op hoedanige wijze een willige verkooping van een met hijpotheken bezwaard perceel, en wel een willige verkooping, waarbij het voorrecht van zuivering voor den kooper behouden blijft, geschieden moet;

en dat ten slotte art. 1178 spreekt vati eene door den eigenaar van het goed aan den len hypotheekhouder verstrekte „onherroepelijke volmacht", om bij gebreke van voldoening van hoofdsom of renten, het verbonden goed te verkoopen, en alzoo de wet daarbij van het denkbeeld uitgaat, dat verkoop volgens dat