is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vóór den dag van den verkoop, een voorschrift dat blijkbaar de strekking beeft om de ingeschreven schuldeisohers in de gelegenheid te stellen de maatregelen te nemen, die zijn in bun belang wenschelijk achten;

dat nu van de zijde der geopposeerden niet is beweerd en ook niet is gebleken, dat de opposant ten minste 30 dagen voor de toewijzing met den dag van den verkoop bekend was, zijnde opposants esploit van verzet van den Hen Februari 1891, terwijl de verkoop reeds plaats bad op den 20 Februari d. a. v.;

dat zeer zeker de geopposeerden, als koopers, de formaliteiten van art. 1211 niet konden opvolgen, doch dat zij bet zijn, die als koopers roija vorderen ook van opposants hijpotheek, zoodat indien er voor laatstgenoemde gronden bestaan om zich tegen deze vordering te verzetten, deze terecht tegen de geopposeerden worden te berde gebracht;

dat verder, met betrekking tot het zich niet verzetten door den opposant tegen de vendutie, het niet in acht nemen van de formaliteiten van art. 1211 geen grond van verzet oplevert tegen den verkoop, die desniettemin geldig is, doch wel tegen de vordering tot ontlasting van de hijpotheken, welke op bet verkochte perceel rusten;

en ten slotte: wat betreft de uitlatingen welke opposant tegenover den procureur van geopposeerden zou hebben gedaan, hierboven medegedeeld en door opposant niet tegengesproken: primo: dat bet niet aangaat om aan uitlatingen van dien aard in rechten verbindende kracht toe te kennen, als zoude daardoor de opposant zijn recht, om zich op de niet naleving van art. 1211 te beroepen, prijs gegeven en dientengevolge van zijn hijpotheek afstand gedaan hebben, te mper niet, nu, ofschoon het voor ieder duidelijk is, ook zonder dat dit door een rechter bij rangregeling wordt beslist, dat de opbrengst der verkochte perceelen niet voldoende is voor de 2e hijpotheek van opposant, deze (gelijk de geopposeerden bij hun conclusie van antwoord zeiven erkennen) geweigerd heeft om hun machtiging tot roija van zijn hijpotheek te geven, terwijl het ook niet blijkt dat hij beloften in dien geest heeft afgelegd, waarin eene reserve van rechten ligt opgesloten;