is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des gewonden ,n den daaropvolgenden vroegen ochtend heeft veroorzaakt;

O. dat beklaagde heeft erkend het gemelde in jndicio aanwezige hem toebehoorende geweer ten tijde als boven in zijn oliegoedang op de omschreven wijze te hebben opgesteld met het doel den persoon, die sedert eenigen tijd op onverklaarbare wijze, zonder dat eenige braak was te bespeuren, in die goedang binnendrong en olie daaruit ontvreemdde, te treffen, onder bijvoeging dat hij daarmede niet heeft beoogd den eventueelen dief zwaar te verwonden of te dooden, maar slechts hem door een hagelschot ter hoogte van den arm te teekenen, opdat bij zou kunnen worden opgespoord; dat hij reeds vroeger het geweer had geplaatst op dezelfde wijze en met hetzelfde doel in de zuidelijke der beide kamers, waaruit de goedang bestaat, omdat uit die kamer de olie werd ontvreemd, doch zonder succes, dewijl daarna weder 2 blikken verdwenen zonder dat het geweer afging; dat hij het nu had opgesteld in de andere kamer met den tromp rustende in een daartoe in het middenschot ter hoogte van den arm eens bukkenden persoons gemaakt gat; dat echter de dief blijkbaar is nedergehurkt bij het naast aan 't beschot staande blik en dat aanvattende het volle schot hagel bijna a bout portant in den hals heeft ontvangen; dat hij het geweer niet had geladen met pauwenhagel, maar met circa 40 korrels der door hem ter terechtzitting geproduceerde fijnere hagel; dat hij gemelde goedang niet liet bewonen of bewaken, omdat dezelve onmiddellijk bij het huis van Makkink is gelegen en een bijgebouw daarvan is; dat hij van den door hem genomen maatregel aan niemand kennis had gegeven dan aan Makkink en dezen had verzocht om, als hij het schot in de goedang hoorde afgaan, terstond te gaan zien of er welligt door de smeulende prop van het geweer brand kon ontstaan, terwijl hij er ook op op rekende dat dan de lieden van de nabij zijnde gardoe zouden toeschieten ;

O. dat beklaagde verder heeft erkend dat zijne daad door toedoen van Makkinks tuinjongen den dood van dezen heeft tengevolge gehad op de wijze als hem eveneens wordt ten laste gelegd ;