is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en gedagteekend den 23sten Augustus 1892, daartoe strekkende, dat het Hoog-Gerechtshof, met gedeeltelijke vernietiging van het bovengenoemde vonnis van den raad van justitie te Semarang in zake den in hoofde dezes genoemden beklaagde Cores de Vries gewezen, waarvan revisie, dien beklaagde alsnog zal schuldig verklaren aan: moedwillige doodslag onder verzachtende omstandigheden gepleegd en hem deswege zal veroordeelen tot de straf van gevangenis voor den tijd van twee jaren en in de kosten van het geding en overigens het vonnis moge bekrachtigen ;

Gehoord het rapport van den raadsheer Mr. J. F. Phitzinger;

Gelet op de in resivie ingediende memorie;

O. dat de officier van justitie bij den raad van justitie, op de wijze door de wet voorgeschreven en binnen den termijn bij deze gesteld, verklaard heeft van het vonnis revisie te verlangen, waarvan aan den beklaagde behoorlijk beteekening is gedaan;

O. dat men óf zelf een strafbaar feit kan plegen, óf het door een ander doen plegen, hetzij deze persoon toerekenbaar, hetzij hij dit niet is, in welk laatste geval hij slechts als een blind werktuig (manus ministra) en degeen, die hem met boos opzet heeft te werk gesteld, rechtstreeks als dader wordt beschouwd;

O. dat onderwerpelijk de, door den eersten rechter als bewezen aangenomen feiten zonder eenigen twijfel aantoonen, dat de beklaagde, na bevorens reeds voor een niet onaanzienlijk bedrag aan olie te zijn bestolen, — minstens met het opzet, om dengene die het wagen zou weder in zijn oliemagazijn te dringen en daaruit een of meer blikken met klapperolie te ontvreemden, te verwonden, — een met hagel geladen percussiegeweer zoodanig geplaatst en den trekker daarvan aan de meest voor de hand staande blikken met klapperolie aldus heeft verbonden, dat bij verplaatsing van een daarvan, de bij voorbaat gespannen haan neerslaan, het schot afgaan en de dief moest worden getroffen;

dat beklaagde de hangsloten der deuren van zijn magazijn niet heeft verwisseld, ofschoon hij moest aannemen, dat een onbekende dief eens of reeds meermalen door middel van een valschen»sleutel een dier hangsloten geopend had en in dat gedeelte van het magazijn blikken olie had ontvreemd, waarin