is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. ten aanzien van het eerste gedeelte van het eerste middel, dat de eisclieressen bij introductief rekest van dagvaarding wel hebben gevraagd de veroordeeling van gedaagde tot nakoming zijner verplichtingen als executeur es tot het binnen zekeren door den landraad te bepalen tijd doen van rekening en verantwoording, en dat de rechter a quo die vordering toegewezen en den gedaagde tot het doen van rekening en verantwoording veroordeeld heeft, maar dat daaruit niet de gevolgtrekking mag gemaakt worden, dat hij in strijd met de tweede alinea van het eerst aangehaald artikel, welke voorschrijft dat op alle gedeelten van den eisch moet worden recht gedaan, op het eerste gedeelte daarvan geen recht gedaan heeft, maar integendeel moet opgemaakt worden, dat hij van oordeel is geweest, dat al de verplichtingen, welker nakoming bij rekest van dagvaarding in de eerste plaats van den gedaagde gevraagd werd, zich oplosten in die tot het doen van rekening en verantwoording, zoodat feitelijk — al was de vorm minder juist — dit alleen gevraagd werd, en gevolgelijk het condemnatuin zich daartoe moest bepalen ; en

dat deze opvatting van den rechter van de strekking der dagvaarding, als feitelijk van aard, in cassatie onaantastbaar is;

dat bovendien de requirant bij dit middel geen belang heeft daar hij toch, — althans in zijn eigen stelsel, — veroordeeld is tot minder dan de vordering strekte;

Ten aanzien van het tweede gedeelte daarvan, dat de eisclieressen hebben gevraagd, dat de gedaagde zoude worden veroordeeld tot het binnen zekeren door den landraad te bepalen tijd doen van rekening en verantwoording en dat de rechter a quo hem ook hiertoe veroordeeld heeft, kunnende de daarbij gevoegde bepaling, dat liij die voor den landraad in openbare terechtzitting zal hebben af te leggen, niet aangemerkt worden als een veroordeeling tot iets meer of anders dan is geëischt geworden, zooals bij alinea drie van het vooraangehaald artikel verboden is;

dat eindelijk de rechter a quo hierdoor evenmin in strijd met art. 463 van liet vooraangehaald reglement gehandeld heeft,