is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

art. 20, imperatief is gesteld, geheel; zoo ook in art. 76, 78, 90 alinea 1, 123, 281, 304, 326, 329,336 evenzoo imperatief en zonder restrictie; ook in art. 112 en artt. 1.1.6, 125, 127 de bijkomende straf, maar nu niet geheel edoch voor een deel imperatief gesteld Welnu, in al die artikelen is uitdrukkelijk het tegendeel verklaard van wat art. 20 voorlaatste zinsnede, als regel stelt. Die regel is: faculatieve toepassing van de bijkomende straf tenzij het tegendeel, de imperatieve toepassing, bij de wet is bepaald. Art. 12 heeft met dit alles niets van doen omdat het tuet. het strafstelsel als zoodanig niet in verband staat doch wel de gevolgen aangeeft die aan de veroordeeling verknocht zijn, altijd, ipso iure. Bovendien: was de minister van justitie, door zijn beroep op art. 28 Code Pénal, van oordetel dat zijne bewering dat art. 12 iudisch strafwetboek eene bijkomende straf bepaalt, dan was ook dit argument van art. 28 C. P. onjuist. Daargelaten dat liet iudische strafwetboek in 1866 de zoozeer gewraakte onderscheiding in crimes en délits reeds liet vervallen in verband waarmede ook de lijf en ontee-, rende en correctioneele straffen vervielen en het geheele strafstelsel gewijzigd werd, kon den minister du Tour ook niet worden toegegeven dat in art. 28 van den Code Pénal sprake was van eeue bijkomende straf. Modderman, en diens gezag zal aan het ministerie van justitie toch wel niet worden gewraakt, leerde bij de uitlegging van den Code Pénal dat art. 28 omschreef : de gevolgen die van rechtswege aan de daar genoemde, straffen zijn verbonden en die de rechter dus niet uitspreekt. Ergo gevolgen, geene bijkomende straffen, want dan zouden deze niet van rechtswege den veroordeelde treffen maar bij het vonnis moeten worden uitgesproken. Het argument van den minister—*■ of van het ministerie? — van justitie was dus onjuist. En dat art. 12 evenmin eene bijkomende straf bevat die wel bij vonnis moet worden opgelegd, maar enkel gevolgen regelt die niet bij vonnis worden uitgesproken, werd dan ook, al zij het niet geheel op de bovenontwikkelde gronden, aangetoond door het Hof, met welks gevoelen de indische regeering zich vereenigde. Gratie kon dan ook die gevolgen niet wegnemen