is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevattende, bewezen is dat ze voor Amerika bestemd waren, terwijl appellante in eersten aanleg beeft erkend dat alle Delitabak naar Europa gaat, voldoende gebleken is dat met het vervoer naar buiten Nederlandsch-I idië onder die omstandigheden door dezen appellant wel degelijk verduistering beoogd werd en dus terecht door 's Raads voorzitter beslag is toegestaan, daar als het in een zoo onbeschaamd geval van verduistering als het onderwerpelijke niet verleend mocht worden, men het rechtsmiddel liever maar uit de wet moest schrappen;

dat ten slotte hier nog bijgevoegd wordt dat zelfs na het leggen van het beslag acht duizend pond (50 balen tabak) opgespoord geworden zijn, welke de gemachtigde van appellante de ambtenaren had weten te belezen aan de beslaglegging te onttrekken ;

dat biervan in eersten aanleg getuigenbewijs is aangeboden en bij dit aanbod in appel gepersisteerd wordt;

dat appellante wel is waar dit aanbod niet ontvankelijk acht, maar ten onrechte;

dat het feit immers zeker relevant is omdat, waar bewezen moet worden dat in casu onder de onderwerpelijke omstandigheden het sluiten der ondernemingen en bet buiten Nederlandsch-Indië vervoeren van de eenige bezittingen der appellante, verduistering beoogde, het feit dat de debiteur, op wiens goederen conservatoir beslag is toegestaan, daaraan 8000 pond tabak onttrokken heeft, een vermoeden daarstelt van zijn kwaad oogmerk met dat vervoer;

dat als men een en ander beschouwt in het licht dat de afdanking der koelies — een kapitaalvernieling op kolossale schaal, er op werpt, het duidelijk is dat men te doen had met een debiteur in volle debacle, wier directeuren er zelfs niet aan denken oin ooit een cent van de oogst te verantwoorden * ° aan hunne Nederlandsch Indische crediteuren;

dat verder de appellante de competentie van den president afleidt uit art. 725 Rv., dat de opheffing van het beslag gebiedt als summierlijk van de ondeugdelijkheid der vordering blijkt en uit art. 724 Rv., dat den beslagene geheele vrijheid zou laten welken rechter hij zal adieeren president of raad;