is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

taris te Soerabaia H. J. Ilartevelt dd. 30 Maart 1891 no. 83 op die» dag namens appellant is geprotesteerd tegen de ontruiming door geïntimeerden van de fabriek met aanhoorigheden, zonder de gebouwen, vasten en lossen inventaris vooraf in een bruikbaren toestand hersteld te hebben;

en dat in verband hiermede ook in d# sub d en e gestelde feiten, de juistheid hiervan nog daargelaten, geen daden van berusting kunnen worden gezien, te minder, wanneer in aanmerking wordt genomen, dat appellants belang ongetwijfeld medebracht de door geïntimeerden ontruimde fabriek niet in vreemde handen te laten ;

dat het middel alzoo niet kan opgaan;

O. dat geintimeerden in appel de niet ontvankelijkheid der actie tot schadevergoeding nog hebben gesustineerd op grond: lo. dat appellants stelling, dat hij verhuurder is, in rechten is ongegrond;

2o. dat blijkens de vendukatern ddo. 27 Augustus 1888 de fabriek door appellant gekocht is in den toestand, waarin zij zich op den dag van verkoop bevond;

dat wanneer het gekochte zich toen reeds in den door appellant afgeschilderden staat bevond, hij daardoor ook zooveel minder betaald zal hebben en dat hij door thans de vergoeding van de schade van geintimeerden te eischen, bovendien van hen vergoed zou krijgen datgene, wat hij reeds genoten heeft door zooveel minder voor de fabriek te betalen;

3o. dat, aangenomen nog steeds dat de fabriek in slechten staat verkeert, de geintimeerden ter zake zouden blijven blootstaan aan eene actie van Dieffenbach, die immers niet door den verkoop der fabriek is te niet gegaan;

4o. dat appellant bij zijne dagvaarding niet heeft gesteld, dat , hij de gedaagden, thans geintimeerden, ter zake van het niet nakomen der verbintenis om het gehuurde in bruikbaren staat op te leveren, in gebreke heeft gesteld, terwijl vergoeding van kosten, schaden en interessen volgens art. 1243 van het Burgerlijk M etboek eerst verschuldigd is, als de schuldenaar, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft om de verbintenis te vervullen;