is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat de ondeugdelijkheid van den eersten en derden grond niet nader behoeft te worden aangetoond, nu hierboven reeds is beslist, dat appellant door aankoop van de fabriek Ngoro, ook met opzicht tot de bestaande overeenkomst van huur en verhuur van die fabriek, in de plaats van de erven Diefteiibach is getreden;

O. dat appellant «er bij pleidooi op heeft gewezen, dat de 2 e en 4 e grond van het middel eerst in hooger beroep zijn aangevoerd en verder beweerd, dat het middel dus in zoover als gedekt inoet worden beschouwd;

O. dat dit mtt het oog op het bepaalde bij art. 344 tweede alinea van liet Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering niet kan worden toegegeven, vermits het hier toch geldt weren van rechten, welke eene verdediging ten principale opleveren, en niet onvereenigbaar zijn met de houding van geintimeerden in eersten aanleg ;

O. dat die weren echter zijn ongegrond, omdat: wat 2o. betreft: de verkoop van de fabriek wel eene verandering in den persoon des verhuurders te weeg bracht, doch overigens voor den huurder was eene res inter alios acta en derhalve geen invloed kon uitoefenen op de contractueele verplichting van geintimeerden tct oplevering der fabriek in bruikbaren staat; en wat 4o. betreft: eene voorafgaande in gebrekestelling als geheel doelloos en dus overbodig is te beschouwen, daar waar, zooals in casu, geintimeerden zich door het verlaten van de fabriek en de daarop gevolgde in bezitneming daarvan door appellant buiten de mogelijkheid hebben gesteld alsnog aan hunne zooeven vermelde verplichting te voldoen;

O. dat thans moet worden onderzocht, of de fabriek bij het einde der huur inderdaad niet in bruikbaren staat verkeerde;

O. dat uit het reeds aangehaald door den tijdelijk vervangend notaris C. J. Fuchter ten verzoeke van geintimeerden opgemaakt proces verbaal dd. 24 Februari 1891 no. 9, alsmede uit een briefje van Mr. Mounier van vijf dagen te voren, gericht aan appellant, blijkt, dat er, volgens verklaring van voornoemden administrateur van geintimeerden en van den eersten geintiineerde zelf eene scheur in den standaard van den molen was, welke gedurende het huurcontract was ontstaan;