is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze aanschrijving is feitelijk in strijd met de straksgenoemde resolutie van 2 September 1828, hoewel in overeenstemming met art. 3 van het reglement zelf, dat immers de boedels der Inlanders steeds aan de boedelkamers toevertrouwt.

Hoe dit zij, zonderling vooral is het, dat een dergelijk voorschrift wordt gegeven niet bij verordening, doch bij eene gewone aanschrijving, alsof het hier enkel een bloot administratief voorschrift gold.

Verloor de Regeering, die deze aanschrijving gelastte, niet te veel uit het oog, lat door dat stuk in waarheid eene regeling in 't leven werd geroepen van de voogdij der aldus tot oostersche vreemdelingen gestempelden ?

Hoe zoude het zijn, als eens belanghebbenden zich verzetten tegen een optreden der boedelkamer gegrond op deze aanschrijving? Zeer zeker zoude een beroep op dat stuk voor den rechter van zeer weinig invloed zijn.

Het springt in 't oog, dat door deze verschillende voorschriften de regeling van de competentie der boedelkamers wel wat veel in de lucht hangt en dat die kamers dikwijls in het duister tasten, waar het in eenig speciaal geval geldt te beslissen, of ze al dan niet tot handelen verplicht en bevoegd zijn.

Het stelsel der Regeering om door aanschrijvingen aan de boedelkamers te bepalen in hoeverre het boedelmeester-regleraent buiten Batavia gelden zoude, heeft zich ook herhaaldelijk geopenbaard ten aanzien van art. 58 van het meergenoemd reglement.

Dit artikel bepaalt, dat de boedelkamers behalve in zaken, bepaald bij de instructie omschreven, geen proces zouden mogen voeren dan op autorisatie van de Indische Regeering.

Bij circulaire van den Algemeenen Secretaris van 19 October 1859 no. 2376 (bijblad 758) werd den boedelkamers aangeschreven, dat zij zich bevoegd kunnen achten om in alle gedingen, welke zij als verweersteis te voeren hebben, zonder nadere machtiging der Regeering in rechten op te treden.

Deze circulaire werd echter weer ingetrokken bij circulaire van den Directeur van Justitie van den 27 Mei 1889 no. 3195,