is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te drijven in welke zaken ook, daaronder begrepen die welke het onderwerp dezer overeenkomst uitmaken, zijnde die acte mede op 23 April 1890 ingeschreven ter griffie van den raad van justitie en de daarbij gemaakte wijziging gepubliceerd in de Javasche Courant van 29 April 1890 no. 34;

en dat herhaaldelijk in de dagbladen, zooals in liet Bataviaasch-Handelsblad van 25 Maart en 9 Mei 1890, is geadverteerd, dat de firma B. W. H Weber zich o. a. met incasseering van gelden bezig houdt en gelden neemt in deposito;

dat verder mede door de erkentenis der appellanten, in verband met de in het geding gebrachte door hen ingediende balans en procesen-verbaal der eerste en tweede verificatie-vergadering in hun faillissement vaststaat, dat zij zich hebben bezig gehouden met het uitleenen van gelden tegen renten en dat zoowel van hun eigen kapitaal als van zulke gelden, welke hun met dat doel door vele personen waren toevertrouwd; dat zij eveneens, om daarmede op die wijze te werken, van meerdere personen gelden in deposito hebben genomen ;

O. dat nu voorzeker het verrichten van zoodanige geldzaken op zich zelve geene daad van koophandel vormt, maar dat dergelijke transactiën ook even zeker behooren tot die, welke steeds door bankinstellingen als dagelijksche verrichtingen tot haren geldhandel behoorende plaats vinden;

dat derhalve, waar nu vaststaat, dat de appellanten een maatschap hebben aangegaan, met inachtneming der voorschriften, welke voor vennootschappen van koophandel zijn voorgeschreven, ten doel hebbende betreffende geldzaken op te treden, en het publiek herhaaldelijk hebben medegedeeld, dat zij geneigd waren om als zoodanig transactiën daarmede aan te gaan, bepaaldelijk ook gelden in deposito te nemen, de vermelde handelingen ook moeten geacht worden door hen als zoodanig te zijn verricht en derhalve als uitvloeisels van hun in de acte van vennootschap uitgesproken doel om als kooplieden geldzaken te doen in uitgestrekten zin;

dat alsdan die handelingen zijn geweest daden van koophandel, en de appellanten, welke erkennen die daden als hun gewoon