is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Natuurlijk zal men thans op grond dezer jurisprudentie het best doen het bestaan van een consent als een vereischte voor de geldigheid van het huwelijk te eischen, maar het is zeker te hopen, dat dit vereischte zoo spoedig mogelijk worde afgeschaft.

Bij het gezegde zoude ik het kunnen laten, daar al voldoende is aangetoond, hoevele kwesties telkens rijzen, waar raen op grond van art. 72 Ov. nagaan wil, in hoeverre het reglement van 1828 gehandhaafd is, en hoeveel strijd de beantwoording dier kwesties zelfs tusschen de uitspraken van het Hoog-Gerechtshof onderling doet zien.

Een voorbeeld daarvan wensch ik echter nog te noemen, daar het een groot dagelijksch belang der boedelkamer raakt, de vraag nl. wie voor dat collegie is de aangewezen gewone rechter.

Art. 6 van het reglement bepaalt dat, wanneer bij het onderzoek of het collegie van boedelmeesteren tot het beheer van een boedel gerechtigd is, verschil mocht ontstaan, „de Landraad „daarin de plano beslissen zal" en art. 58 bepaalt o. a. dat het collegie van boedelmeesteren bij het voeren van processen zich daarin gedragen zal overeenkomstig het bij art. 6 bepaalde. De meest algemeene en dan ook te verdedigen uitlegging van laatstgemeld voorschrift is nu deze, dat daarin de Landraad gemaakt wordt tot den dagelijkschen rechter van liet collegie van boedelmeesteren (en de boedelkamers). Men zie daarover gewijsden in Tijdschrift III p. 125; IV p. 31; XVIII p. 50; XXIV p. 189. Maar nu rijst de vraag: geldt dit voorschrift thans, na de wetgeving van 1848, ook nog, ook dan wanneer het in strijd is met de bepalingen van het Reglement op de Rechterlijke Organisatie? Om een voorbeeld te noemen, het Re-

louter fisealen aard, zoodat het dan ook om de geldigheid van een huwelijk te beoordeelen niet afdoet of het consent voor of na de huwelijksvoltrekking is verkregen geworden. Het Hof oordeelde het in casu voldoende dat de Chineesehe vrouwen Than Siong Nio en Than Thie Nio, die de niet ontvankelijkheid eener actie betoogden op grond van het feit dat ze gehuwd waren en dus met bijstand der echtgenoo. ten hadden moeten worden gedagvaard, bewijzen konden, dat zij op het oogcnblik der dagvaarding een consent bezaten.