is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebruik, daar hij in zijn vonnis overweegt, dat de requirant toen het gëincrimineerde feit plaats had, beheerder was van de aan zekeren Tjan Kong Ing toebehoorende Chineesche apotheek, waarvoor het aangehaalde poeder bestemd was, en ter landraadzitting erkend heeft, dat hij die medicijnen van Singapore zelf had besteld en dat tot zijn werkzaamheden behoorde het bereiden en verkoopen van medicijnen, en dat hij alzoo geacht moet worden de zamenstelling dier medicijnen te hebben gekend :

dat di rhalve thans moet onderzocht worden, wat er vastgesteld is in de omtrent den invoer van opium voor geneeskundig gebruik bestaande of nader vast te stellen bepalingen, waarvan in het slot van voormeld art. 26 gemag wordt gemaakt;

dat dergelijke bepalingen zijn neergelegd in de ordonnantie opgenomen in Staatsblad 1872 no. 170, maar deze, blijkens art. 1 alleen gelden voor partikulitre apothekers voorzien van een akte van toelating tot uitoefening van de artsenijmengkundige praktijk, en dus niet voor den requirant, die niet tot die personen behoort, alsmede in de ordonnantie, opgenomen in Staatsblad 1892 no. 14, waarbij ter vervanging van eerstgemelde ordonnantie, en thans voor allle personen zonder onderscheid — behalve de tot uitoefening der artsenijbereidkunst bevoegde personen en zekere daar bedoelde geneeskundigen — de invoer van opium voor geneeskundig gebruik verboden wordt, maar deze bepaling eveneens niet op den requirant toepasselijk is, daar het aan dezen geïncrimineerde feit op den 7den Juli 1891 heeft plaats gehad, en laatstverinelde ordonnantie toen nog niet van kracht was;

dat hieruit volgt, dat de den beklaagde ten laste gelegde invoer van een morphine-praeparaat volgens het aangehaalde art. 26 geen misdrijf of overtreding oplevert, en alzoo terecht door den requirant is aangevoerd, dat door hem desniettemin aan overtreding van art. 1 van dat reglement schuldig te verklaren, het bepaalde bij art. 26 daarvan is geschonden;

O. dat derhalve op grond hiervan het vonnis a quo, voorzooverre het een schuldigverklaring en veroordeeling te dier zake inhoudt, behoort vernietigd te worden, en naar de gegrondheid