is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen den ingestelden eiscli voorgestelde exceptie van onbevoegheid des rechters ratione personae, mitsdien alsnog den raad van justitie té Batavia te verklaren onbevoegd oiu kennis te nemen zoowel van het door den eischer thans geïntimeerde gedaan verzoek tot uitreiking van tweede grossen als van de onderhavige door hem tegen den gedaagde in privé en qq. thans appellant, ingestelde vordering en genomen conclusiën, alles met veroordeeling van den geintimeerde in de kosten der beide instantiën;

O. dat de geintimeerde bij conclusie van antwoord in appel heeft aangevoerd, dat werkelijk de rechter a quo in het dictum van zijn vonnis den eisch exceptioneel van thans appellant minder juist niet ontvankelijk heeft verklaard, voor zooverre die de strekking heeft, dat de raad zich onbevoegd verklare tot kennisneming van het verzoek tot uitgifte der tweede grossen en overigens de voorgestelde exceptie heeft verworpen, daar die exceptie, volgens de eigen overwegingen van het vonnis a quo, in haar geheel had bekooren te zijn verworpen, doch dat overigens appellants grieven tegen liet vonnis a quo onjuist zijn;

dat geintimeerde vermeent, dat appellant in eersten aanleg zijne exceptie niet alleen had mogen voorbrengen, doch al zijn middelen van verweer, destijds blijkens proces-verbaal bij den resident van Riouw aangevoerd, tegelijk had dienen voor te stellen en thans verstoken is van degene, die. hij niet heeft bijgebracht, zoodat, bij verwerping der exceptie, de principale eisch thans in staat van wijzen en voor dadelijke toewijzing vatbaar is, hetwelk evenzeer het geval is, wanneer het Hof van oordeel mocht zijn dat, hoewel in dat proces niet herhaald, doch omdat zij door aanvoering bij den resident van Riouw in de litis contestatio begrepen zijn, de verweringen van appellant ten principale toch berecht moeten worden, immers die verweringen afdoende zijn bestreden en ontkend en op grond van een en ander heeft geconcludeerd, dat het den Hove moge behagen te niet te doen het appel en den appellant te verklaren niet ontvankelijk met, immers en in ieder geval hem te ontzeggen zijnen eisch in appel en daarbij genomene conclusie»