is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen veroorlooft, dat de verkooper der daar bedoelde geneesmiddelen ze rechtstreeks van den bereider betrekt, en van hein ten verkoop, dat is in commissie, ontvangt; dat deze opvatting echter minder juist is;

dat toch bij voormelde alinea niet onderscheiden wordt, of de geneesmiddelen rechtstreeks of wel door middel van een tusschenpersoon van den bereider worden ontvangen, en dat op grond hiervan en van de kennelijke bedoeling des wetgevers, om den verkoop van bedoelde geneesmiddelen — mits ze aan zekere de echtheid daarvan waarborgende voorwaarden voldoen — geheel vrij te laten, moet aangenomen worden, dat die verkoop geoorloofd is, zoowel rechtstreeks, als door middel van tusschenpersonen, en zoowei door dengene, die ze ten verkoop ontvangen als voor eigen rekening zelf ingekocht heeft;

O. dat derhalve de rechter a quo voormelde wetsbepaling verkeerd heeft toegepast, en dus zijn vonnis althans voorzoover het op deze verkeerde toepassing berust, dat is voorzooverre de beklaagde daarbij aan het hem sub 2o. in de tweede plaats, 4o. 5o. en 60. van het requisitoir van dagvaarding ten laste gelegde is schuldig verklaard, behoort te worden vernietigd;

O. dat verder, daar de feiten vaststaan, ten principale kan worden recht gesproken ;

O. nu dat de beklaagde krachtens het boven uiteengezette ten aanzien van de feiten hein sub 2o. in de tweede plaats, 4o. 5o. en 60. van het requisitoir van dagvaarding ten laste gelegde, van alle rechtsvervolging behoort te worden ontslagen, daar niet blijkt, dat die geneesmiddelen niet afkomstig zijn van den bereider, wiens naam daarop staat uitgedrukt of dat ze eerst na verbreking van het zegel des bereiders zijn verkocht en slechts 111 die gevallen van een overtreding van de 2de alinea van liet gemeld art. 83 sprake kan zijn, terwijl bedoelde feilen ook niet bij eenige andere bepaling strafbaar zijn gesteld ;

O. dat het vonnis overigens als wel en terecht gewezen zoude kunnen worden gehandhaafd, ware het niet, dat de rechter a quo een termiju heeft bepaald, gedurende welken de veroor-