is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Valschheid gepleegd door den opiumslij Ier in een, in een kit aangehouden boek, waarvan het houden niet door het opiumpachtreglement is voorgeschreven, hierin bestaande, dat hij daarin den prijs van verkochte tiké boekte tot het bedrag door het hoofd van gewestelijk bestuur krachtens art. 9 van dat reglement vastgesteld, terwijl inderdaad de tiké voor minder werd gesleten, is niet strafbaar, vermits dat, door den pachter slechts voor eigen controle aangehouden, boek nimmer tot eenig bewijs kan strekken en dus de vervalsching daarvan niemand kan benadeelen.

Dezelfde valsche boeking, gepleegd in het volgens art. 10 van dat reglement aangehouden „dagelijksch verkoopboek, model litl C' is evenmin als valschheid in geschrifte strafbaar, ah evenzeer niemand tot nadeel kunnende strekken, en slechts beoogende ontduiking van het besluit van het hoofd van gewestelijk bestuur, houdende vaststelling van den verkoopprijs in de kit.

Door laatstbedoelde valsche boeking wordt alleen overtreden al. 1 van voormeld art. 10, tegen welke overtreding bij de laatste alinea daarvan boetestraf is bedreigd.

HET HOOG GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gezien de stukken van het gerechtelijk onderzoek in de zaak van den beklaagde Tan Sioe Hok en het in die zaak op den 27en Februari 1893 door den landraad te Ponorogo gewezen vonnis, waarbij de beklaagde is schuldig verklaard aan „Valschheid in twee onderhandsche geschriften onder verzachtende oinstan. digheden" en deswege veroordeeld tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van negen maanden en een geldboete van ƒ 50 met verstande, dat beklaagde bij niet voldoening dier geldboete bij wege van lijfsdwang zal kunnen ondergaan dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van zeven dagen en met verdere veroordeeling van den beklaagde nog solidair in de kosten van het rechtsgeding;

Gezien de schriftelijke conclusie namens den Procureur-Generaal, door den Advocaat-Generaal Mr. A. Huil genomen, en gedagteekend den I3en April 1893 daartoe strekkende, dat het