is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

timeerde in de zijnerzijds genomen conclusiën niet ontvankelijk te verklaren immers hem dezelve te ontzeggen met veroordeeling van den geintimeerde in al de kosten der beide instantiën;

O. dat de geintimeerde bij conclusie van antwoord in appel die grieven bestreden en het vonnis a quo heeft verdedigd en mitsdien heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis a quo cum expensis;

O. dat partijen daarop hare sustenuen nader mondeling hebben toegelicht, waarbij acte is verzocht namens appellant, dat hij den eisch vermindert met 65/81 aandeelen van de bedragen van f 595,93, f 3239,76 5 , f 817,55, ƒ 2309,43 en / 881,81 (dat is 65/81 van / 7344,40* =ƒ 5893,72), welke op de rekening en verantwoording als uitgaven zijn uitgebracht als 10% der netto provenuen op verkochte producten over 1886, 1887 en 1888, edoch onder uitdrukkelijke reserve van appellants recht om elders die bedragen alsnog in rechten van geintimeerde te vorderen, waarna'de nederlegging der stukken ter tafel gelast en de uitspraak bepaald is op heden; Ten aanzien van het recht:

O. dat, naar aanleiding van appellants grieven tegen het vonnis a quo in het midden gebracht, in de eerste plaats behoort onderzocht te worden, of de raad van justitie terecht op het schriftuur van debat heeft recht gedaan insfede van het buiten het geding te stellen ;

O. dat, blijkens zijne lo. en 2o. grief, appellant, — en zulks voor het eerst in appel, — beweert, dat op dat schriftuur geen acht had mogen geslagen worden, omdat

lo. de procureur Eekhout op 5 Februari 1891, den datum van dat schriftuur, nog geen procureur van geintimeerde was;

2o. de nieuwe procureurstelling van 6 Februari 1891 niet behelst de verklaring, dat het rechtsgeding op de laatste gedingstukken wordt voortgezet;

3o. dat schriftuur niet binnen een maand is beteekend en derhalve tardief is, en

4o. — eerst bij pleidooi in appel aangevoerd —de vervangende procureurstelling van 6 Februari 1891 niet op zegel is gesteld;