is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat bij art. 178 van het Reglement op de Strafvordering op straffe van nietigheid is voorgeschreven, dat de dagvaarding in strafzaken, hetzij die misdrijven betreft, waarin geene voorloopige instructie heeft plaats gehad, hetzij overtredingen, zal geschieden aan den persoon van den beklaagde of te zijner woonplaats, en indien die woonplaats niet bekend is, aan zijn laatste verblijf en aldaar afschrift daarvan zal worden gelaten;

dat voorts bij het laatste lid van datzelfde artikel is voorgeschreven, dat indien een en ander niet bekend is, het exploit zal worden aangeplakt aan het gebouw, waar de raad van justitie zitting houdt, mede op straffe van nietigheid;

O. dat, bij juiste opvatting van dit laatste lid, daaruit blijkt, dat de dagvaarding in de daarbij bedoelde gevallen behoort te geschieden door aanplakking van het exploit aan bet gebouw der rechtbank, voor welke de zaak moet dienen;

O. dat met het oog op art. 193 van het Reglement op de Strafvordering, uit het voorgaande al verder volgt, dat de in deze uitgebrachte edictale citatie had behooren te zijn aangeplakt aan het gebouw, waar dit Hof en niet, aan dat, waar de bereids van de zaak gedesaisisseerde eerste rechter zitting houdt;

O. dat dientengevolge de in deze uitgebrachte dagvaarding nietig is ;

O. dat deze nietigheid ook niet wordt gedekt door 't feit, dat de beklaagde blijkbaar bij wege van voorzorgsmaatregel, bovendien is gedagvaard ten kantore van den persoon, door wien hij ter terechtzitting in eersten aanleg is vertegenwoordigd geworden en bij wien hij krachtens art. 181 van bet Reglement op de Strafvordering, voor zooveel die instantie betreft, geacht werd zijne woonplaats te hebben gekozen, omdat die persoon binnen den bij gezegd artikel voorgeschreven afstand van 15 palen van het gebouw, waar de eerste rechter zitting hield, woonde;

O. toch, dat de zin van gezegd art. 181 deze is, dat, nadat de beklaagde is vertegenwoordigd geworden, hetgeen slechts door de verschijning van een naar behooren gequalificeerden vertegenwoordiger ter terechtzitting geschieden kan (art. 180 eod.)