is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschouwingen dan wel in de met zooveel zorg door hem met eenen juridischen blik verzamelde feiten is gelegen. Want door deze is het nu mogelijk geworden, hetgeen reeds hier en daar verspreid door leeken omtrent dit onderwerp was medegedeeld, juridisch te begrijpen en tot een geheel te verwerken en op die wijze tot eene voldoende kennis der bedoelde nationale rechtsinstellingen in Z. W. Celebes te geraken.

Er is toevalligerwijze ook onlangs eene andere bijdrage verschenen tot de kennis der toestanden in Z. W. Celebes, in welke men mede hierover verscheidene raededeelingen aantreft. Ik bedoel de in het Tijdschrift voor Indische taal- land en volkenkunde, uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen deel XXXVI, van de hand van den tegenwoordigen gouverneur van dat gewest D. F. van Braam Morris verschenen notas van toelichting op de contracten door de Ned.-Indische regeering gesloten met verschillende Staatjes der bondgenootschappen Masenrempoeloe of Masenre-Boeloe en Adja-Tapparang, waarin van de staatsinstellingen, daaronder ook de geestelijke rechtspraak in zeven dier rijkjes, Maiwa, Doerie, Kassa, Batoelappa, Alietta, Soeppa en Sawietto een kort overzicht wordt gegeven en omtrent de laatste daaraan ook nog iets betreffende de meer belangrijke staten Wadjo en Soppeng wordt toegevoegd. Wij bezitten bovendien het door Dr. B. F. Matthes uitgegeven en vertaalde Handels- en Scheepswetboek der Wadjoreezen en de zoo belangrijke daaraan door dien geleerde toegevoegde inleiding, waaruit ook heel wat voor de kennis van het Boegineesch rechtswezen te putten valt. En wanneer ik dan nu het in deze geschriften voorkomende met de uitkomsten van schrijvers onderzoekingen en hetgeen mij ook nog van elders — vooral ook uit andere geschriften van Dr. Matthes, ten deele ook uit persoonlijke ervaring — nopens de in dat gewest heerschende toestanden bekend is, tot één geheel verwerk' dan komt, naar ik meen, het volgende daaruit met voldoende zekerheid te blijken.