is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De nationale rechtspraak in Z. W. Celebes bevindt zich nog nagenoeg geheel in bet stadium, dat het rechterlijk gezag met het algemeene staatsgezag nog is vereenigd; van het evolutieverschijnsel der differentieering, hetwelk zich hier als staatsrechterlijke verdeeling van den arbeid, door afscheiding van het rechterlijk staatsgezag van het algemeene openbaart, doen zich, hoewel het begrip daarvan blijkbaar niet alleen ontstaan maar al heel wat ontwikkeld is, in de praktijk nog pas beginselen waarnemen. Als zoodanig kan dan ook de uitspraak door den schrijver vermeld van wijlen den vroegeren secretaris van inlandsche zaken, later assistent-resident der Oosterdistricten, A. Ligtvoet, eenen man met de taal, zeden en instellingen der Mangkasaren en Boegineezen goed bekend, en de mededeeling van den tegenwoordige!) gouverneur van Celebes en Onderhoorigheden omtrent den toestand in verscheidene Boegineesche rijkjes, dat alle rechtspraak er berust bij den vorst, juist worden geacht. Mits men namelijk dit maar niet in beperkten zin opvatte en daarbij volstrekt niet aan een vorstelijk regaal denke. In werkelijkheid berust de rechtspraak bij den machthebbende, en alleen in zooverre nu het gezag werkelijk in handen van den vorst is of hem ten minste van rechtswege toekomt, derhalve ook bij den vorst. Hieruit volgt, dat waar wel een hoofdvorst bestaat, doch onder dezen talrijke kleinere vorsten of heeren als vazallen over een bepaald gebied feitelijk het gezag voeren, ook daar de rechtsmacht in dezer handen is. Dit doet zich nu op groote schaal voor; Z. W. Celebes vertoont toch ten deze eene overgroote overeenkomst met Europa gedurende den tijd van het leenstelsel. Alle staten van eenigen omvang daar omvatten talrijke vorstendommen, wier heeren verschillende titels dragen en, hoewel vazallen van den oppervorst en in zooverre — soms niet veel meer dan in naam — van dezen afhankelijk, in hun eigen gebied zelfstandig gezag voeren, en als zoodanig dan ook de rechtspraak uitoefenen. Daar, waar het land onder rechtstreeksch bestuur van het Ned.-Indisch gouvernement is gebracht, heeft de betrekkelijke zelfstandigheid dezer vorstendommen natuurlijk opgehouden, doch zijn daaruit, veelal met behoud der