is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

raadslieden ter zijde staan. En ook de justitie is ze als tot de aloude volksinstellingen behoorende gaan beschouwen en hare uitspraken gaan eerbiedigen.

De bevoegdheid, die zich de priesterrechtspraak te Mangkasar thans toekent, kan nu wel het best worden gekend uit een door Mr. N. in extract medegedeeld concept reglement op die rechtspraak in 1878 door drie aanzienlijke Inlanders, waarvan één zelf Imam, was en twee zoons van vroegere kali's waren, aan den gouverneur aldaar aangeboden. Het bestaat uit een in 83 artikelen vervat samenstel van bepalingen, ten deele op het volksgebruik, ten deele op voorschriften van den Mohammedaanschen godsdienst berustende; waarbij echter rekening wordt gehouden met hetgeen de Ned.-Indische wet of zelfs de praktijk te Mangkasar aan den gewonen strafrechter onderwerpt of niet srafbaar acht, zoodat alle bemoeienis met overspel, bloedschande en schaking door geweld wordt uitgesloten en zelfs die met het kwaadwillig verlaten door eene vrouw van haren man, welk feit daar — natuurlijk zonder eenige wettige bevoegdheid daartoe — maar ter politierol schijnt te worden berecht. Uitdrukkelijk wordt daarin gezegd, dat de Sarat in Oost-Indie bij het rechtspreken ook acht slaat op de gebruiken van het land, alsmede dat de kali wel door de hoofden, imams en andere priesters wordt gekozen, doch onder bekrachtiging van den gouverneur, die den kali aanstelt, omdat hij, evenals de assistent* resident, vorstelijke bevoegdheid heeft en de aanstelling van den kali uitgaat van den vorst, daar deze zich van hem bedient om in zijnen n aam die zaken, welke tot de bevoegdheid der priesterrechtspraak behooren, te behartigen. Dit alles nu is zuiver nationaal; de erkenning der kracht van het gewoonterecht; de opvatting der Europeesche ambtenaren als vorsten, en het terugvoeren der rechtspraak ook in de godsdienstzaken op hen als zoodanig, als machthebbenden ; geenszins dus als hoofden van den Mohammedaanschen godsdienst, welke qualiteit ongeloovigen toch niet kunnen bezitten. Evenzoo wordt er ook verder duidelijk alleen de kali als rechter in aangeduid, maar gezegd, dat hij uit de imams hoogstens 7 en minstens 4 raadslieden moet