is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

partijen vaststaat dat Gerrit Jacobus Harmsen is een natuurlijk wettelijk erkende zoon van genoemden overledene en als zoodanig diens erfgenaam en gerechtigd is tot een legitieme portie (artt. 832 en 916 B. W.);

dat eischer is voogd over dezen Gerrit Jacobus en als zoodanig dien minderjarige vertegenwoordigt en gerechtigd is om voor dezen de onderwerpelijke actie in te stellen (artt. 383 en 403 13. W);

O. dat evenwel ook dient te worden nagegaan of gedaagde nalatig is in het afleggen der van haar gevorderde rekening en verantwoording;

dat op deze vraag bevestigend moet geantwoord worden; dat toch, afgescheiden van de vraag of daar, waar het bezit der nalatenschap van rechtswege slechts één jaar duurt, te rekenen van den dag, waarop de uitvoerders zich in het bezit daarvan hebben kunnen stellen (art. 1007 B. W.), de executeur, die na dezen termijn te hebben overschreden — zooals in casu gesteld en niet tegengesproken is en dus vaststaat — zonder rekening en verantwoording te hebben gedaan nog uitdrukkelijk in gebreke moet worden gesteld, instede dat te zijnen opzichte zou gelden: „dies interpellat pro homilie" in casu uitdrukkelijk is gesteld en door gedaagde niet is tegengesproken, zoodat tusschen partijen vaststaat, dat gedaagde herhaaldelijk en zelfs bij exploit doch te vergeefs, is aangezocht tot het doen van rekening en verantwoording in haar genoemde qualiteit, zoodat gedaagde nalatig is in het vervullen der verplichting haar bij art. 1014 B. W. opgelegd;

dat uit het bovenstaande ook blijkt, dat eischer de onderhavige vordering niet rauwelijks maar na gedane sommatie heeft ingesteld ;

O, dat alzoo in casu terecht door eischer de actie tot het doen van rekening en verantwoording is ingesteld, voorzoover hij van gedaagde verantwoording verlangt in hare hoedanigheid van executrice-testamentair, in welke hoedanigheid hare bevoegdheden en verplichtingen in den XlVen titel van het He Boek van het B. W., tot opschrift dragende „van uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen en van bewindvoerders", geheel af-