is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelezen het verslag en requisitoir van den Procureur-Generaal bij dit Hof van den 6en April 1893 strekkende tot vernietiging van het vonnis, waartegen verzet en toewijzing van het ten requisitoir gedaan verzoek ;

Gezien de stukken;

ü. dat het verzet van den Procureur-Generaal hoofdzakelijk is gegrond op de stelling, dat de bedoeling van art. 96 Reglement op de Strafvordering geene andere is geweest dan om den rechter daardoor in de gelegenheid te stellen om, des noodig oordeelende, de gerechtelijke instructie aan de hoofden van bestuur te onttrekken en plaatselijk zelf te houden;

O. dat deze stelling, door geene argumenten gestaafd, geen stand kan houden tegenover de uitdrukkelijke daarmede strijdende bewoordingen der wet;

dat integendeel moet worden aangenomen, dat de bedoeling van den wetgever is geweest den in gemeld wetsartikel besproken maatregel te beperken tot de daar uitdrukkelijk genoemde gevallen, omdat bij tegenovergestelde bedoeling het voor de hand zou hebben gelegen die uit te drukken door in de plaats van: „plaatselijke opneming of andere daad" te gebruiken de uitdrukking „het gerechtelijk onderzoek" of andere algemeene bewoordingen; O. dat voorts nog tegen 's raads beslissing wordt aangevoerd: lo. dat het gemakkelijk zou zijn voor het Openbaar Ministerie oin het requisitoir zoo in te richten, dat daarbij aan 's raads bezwaar zoude worden tegemoet gekomen en 's raads beslissing derhalve geene praktische waarde heeft;

2o. dat de als Rechter-Commissaris in deze zaak gedelegeerde ambtenaar niet geschikt is om het onderzoek te houden;

dat deze utiliteitsgronden niet kunnen leiden tot eene beslissing in strijd met de uitdrukkelijke bewoordingen der wet en bovendien niet afdoende zijn, in het eerste geval, omdat daarmede is toegegeven, dat het Openbaar Ministerie het aan zich zelve heeft te wijten, wanneer de raad niet overeenkomstig zijn requisitoir beschikt, en in het andere geval, omdat niet kan worden toegegeven, dat bij volledige en duidelijke instructie van den officier van justitie aan zijn hulpofficier, dan wel van den Rechter-