is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BURGERLIJKE ZAKEN.

HOOGER BEROEP.

HOOG GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-1ND1E, (Eerste Kamer).

Zilling van 1 Juni 1893.

Voorzitter: Mr. J. Sibenius Trip.. Ra adslieeren: Mrs. W. C. Veenstra, G. H. Lowë, H. van Dissel Szn. en H. A. van de Poel.

Artt. 105, 108, 1 12, 124, 318 en 1425 vlgd. B. W.— Gehuwde vrouw. — Optreding in rechten. — Bijstand. — Machtiging. — Bevoegdheid om betaling te ontvangen. — Uitkeering uit het

vermogen van het kind aan de ouders.

Persoonlijke vordering van deze. —

Compensatie. — Provisioneel e vordering. — Appel. — Belang.

Uit het bepaalde bij de artt. 105 en 124 B. W. vloeit niet voort, dat de gehuwde vrouw niet als eischeresse voor de gemeenschap in rechten zou kunnen optreden.

Be wel stelt den bijstand van den man gelijk aan diens machtiging, zoodat, de gemachtigde vrouw als eischeresse in rechten optredende, de man niet als medeëischer in het geding behoeft op te komen.